13: De brug

Zes jaar na de dood van Joris Ivens (1898-1989) begint er schot te komen in de verkenning van het erfgoed van de beroemdste Nederlandse filmmaker. Tijdens het IDFA verschijnt de lang verwachte kritische, althans onafhankelijke biografie door Hans Schoots, die onder andere opmerkt dat er over Ivens' werk na zijn vertrek uit Nederland in 1931 eigenlijk weinig inhoudelijks geschreven is. Vriend en vijand lijken het eens te zijn dat Ivens zijn beste films voor die tijd maakte: zwijgende avantgardistische vormexperimenten, die geïnspireerd werden door de theorieën rond 'de absolute film' en de montageopvattingen van Sergej Eisenstein. Vooral Regen (1927) en De brug (1928) maken de indruk boven elke kritiek verheven te zijn.

Maar wat is nu nog de betekenis en de invloed van die studies in vorm, beweging, ritme en montage, die destijds, volgens Ivens' medeoprichters van de Filmliga zoals Ter Braak en Scholte, de geboorte van de cinema als autonome kunstvorm aankondigden?

In een van haar spaarzame initiatieven stelde de Europese Stichting Joris Ivens, die onder bescherming en controle staat van Ivens' weduwe Marceline Loridan, zo'n soort vraag aan zes jonge (video)kunstenaars. Het resultaat van hun reflectie is tijdens het IDFA te zien in zes installaties in het Nederlands Filmmuseum, onder het motto Beyond the Bridge.

Het zestal liet zich vooral inspireren door de stokoude Ivens, de vergeestelijkte wijze goeroe in Une histoire de vent (1987) en door, inderdaad, de filmpjes uit het einde van de jaren twintig. Het geestigste commentaar levert Fiona Tan in vijf korte eigentijdse re-makes van Ivens' verloren Schaatsenrijdersfilm. Een van die vijf, getiteld Vooruit!, vertaalt de bewegingsstudie naar Ivens' communistisch-retorische idioom van de jaren dertig en later en laat een rolschaatser met een vaan over de schouder als silhouet tegen de avondlucht afsteken.

Die retorische toon en een heilig ontzag voor de onvermijdelijke maatschappelijke vooruitgang zijn ook in De brug al te bespeuren. De spoorbrug over de Nieuwe Maas, in Rotterdam ook bekend als 'de hef', wordt voor Ivens' camera een stalen monument van menselijk vernuft en precisie, een ode aan de toepassing van de 19de-eeuwse industriële revolutie tot heil van de hele mensheid.

In die visuele rapsodie van vormen valt eigenlijk alleen de belofte van een nieuwe filmkunst te ontdekken, die vervolgens noch Ivens, die zich snel liet kennen als een charmante politieke propagandist, noch iemand anders heeft weten in te lossen. Inderdaad valt nu slechts de videokunst, een hybride en futiele bastaarddiscipline, als logische erfgenaam aan te wijzen. Wat achteraf bezien De brug mist is drama (het wachten van een trein op het rijzen en dalen van de hef neemt die functie slechts nominaal waar), een niet-retorische relevantie en zelfs de verlossing door poëzie. Het is een mijlpaal in de filmgeschiedenis, maar op een weg die nergens heen leidde. Film is namelijk van alle kunsten de minst autonome, zoals Ivens' eigen latere oeuvre en levensloop overtuigend zouden aantonen.