Solipsisme

Alsof het heel gewoon was meldde het televisiejournaal een tijdje geleden dat een raadselachtig Poltergeist-fenomeen was opgelost door wetenschappelijke onderzoekers van de universiteit van Utrecht. In een woonhuis hadden stoelen door de lucht gevlogen en veel schade aangericht. Schijnbaar onverklaarbaar, maar de onderzoekers hadden vastgesteld dat het een uiterlijke manifestatie was van de innerlijke stress van de vijftienjarige zoon des huizes. De nieuwslezer toonde niet de glimlach die soms aangeeft dat hij het zijne denkt van een vreemd bericht. Nee, de conclusie van de Utrechtse wetenschapslieden werd zonder enig vertoon van twijfel gepresenteerd, zodat we wel moesten aannemen dat behalve die wetenschapslieden ook de journaalredactie niet goed wijs was.

Interessanter dan zo'n algemene vaststelling is de manier waarop de redactie niet goed wijs was. Onzin is van alle tijden, maar aan de soort onzin die gewoon wordt gevonden, kan je zien hoe de wind waait. Er is een andere vorm van onzin die nooit het journaal gehaald zou hebben. Als de onderzoekers hadden vastgesteld dat de stoelen door de kamer waren gesmeten door een rondspokende boer die driehonderd jaar geleden op de grond van het woonhuis begraven was en geen rust kon vinden in zijn graf, zou de journaalredactie aan een aprilgrap gedacht hebben. Stress van de zoon des huizes wordt wel serieus genomen. Zo werd in dit journaal niet alleen de goedgelovigheid van de redactie gedemonstreerd, maar ook een modern dogma: alles zit in het hoofd van de mens en de buitenwereld bestaat eigenlijk niet.

We hoeven het niet bij bizarre klopgeesten te zoeken om het dogma in werking te zien. Vorige week was er een wetenschappelijk televisieprogramma van de VPRO dat er helemaal niet zo bizar uitzag, juist omdat het geheel vervuld was van dit dogma. Het programma heette De reli-kwab. Het ging over de Canadese onderzoeker Persinger, die zonder wat hij noemde 'de gevaarlijke omweg van de religie' mystieke ervaringen wilde oproepen door rechtstreeks de hersenen te prikkelen. Ernstige methodologische problemen dringen zich op. Hoe moet je vaststellen of de 'mystieke ervaringen' die door de elektrische helm worden opgewekt dezelfde zijn als die van de traditionele mysticus? De mysticus zal het ontkennen. De niet-mysticus heeft geen vergelijkingsmateriaal. Het schijnt een kenmerk van mystieke ervaringen te zijn dat ze niet goed verwoordbaar zijn.

Wat moet een proefpersoon dan zeggen om tot tevredenheid van Persinger aan te geven dat hij een mystieke ervaring had? Je kreeg niet de indruk dat de onderzoeker deze problemen erg zwaar nam. Het onderscheid tussen mystiek en religie nam hij ook niet erg zwaar. Zijn werkdefinitie van religie leek te zijn: de flauwekul die mensen bedenken als hun rechter hersenhelft geprikkeld wordt. Hij zei: “Bij onze hersenonderzoeken stuitten we op een centrum van religie.“ En: “Tenslotte vonden we God in de hersenen.“

De proef op de som was niet erg spectaculair. De programmamaker ging onder de helm zitten, kreeg een prettig loom gevoel en viel in slaap. Maar wat als hij was opgestaan en had geroepen: ja, zowaar, ik had een mystieke ervaring! Dan was Persinger tevreden geweest. Maar iets interessants bewezen zou er niet zijn.

Persinger had duidelijk een hekel aan religie en de programmamaker ook, en daarom dachten ze dat die geëlimineerd kon worden door haar in de hersenen aan te wijzen. Als ze zouden horen dat seks in de hersenen zat, zouden ze hun schouders ophalen en denken dat ze het er toch bij zouden blijven doen in de echte wereld. Als de programmamaker onder de helm een Persinger-ervaring had gehad, zou hij niet de conclusie hebben getrokken dat Persinger alleen maar een elektrische prikkeling van zijn Persinger-kwab was. Van alles wat ervaren wordt kan je wel zeggen dat het in zekere zin in de hersenen zit. Een stap verder en je zegt: buiten de hersenen is er niets.

Het solipsisme, vroeger een bizar spel van perverse filosofen, is in opmars. Op de dag van die televisieuitzending rapporteerde de krant een uitspraak van de architect Rem Koolhaas. Het ging over de bouwsels tussen stad en platteland die door de meeste mensen als stuitend lelijk worden ervaren. Een vergissing, vond Koolhaas. Het was volgens hem een illusie om te denken dat er tegenwoordig nog aan stadsplanning kon worden gedaan. Het nieuwe bouwen gaat ongepland. Als een kankergezwel, denken de meeste mensen. Als de natuur, zei Koolhaas. De natuur wordt nooit als lelijk ervaren. We moesten, aldus Koolhaas de nieuwgebouwde omgeving als een landschap beschouwen. Niet gepland, maar onafhankelijk groeiend. Dan zullen we het op den duur vanzelf wel mooi gaan vinden, was de boodschap. Een ouderwets mens hoopt op een nieuwe, fraaie architectuur. Een modern mens als Koolhaas weet dat we die niet vinden zullen en zoekt de vernieuwing daarom maar in het menselijk brein.

Er wordt ons iets ontstolen door de verplaatsing van de buitenwereld naar binnen. De wereld van de Poltergeist is rijker dan de wereld waarin stoelen door stress door de lucht vliegen. Religie is rijker dan de reli-kwab van Persinger. Een nieuwe architectuur zou mooier zijn dan een nieuwe esthetica. Er wordt ons niets ontstolen, want we zijn het al kwijt. De miezerige gedachten van mijn drie voorbeelden zijn alleen mogelijk als de buitenwereld al algemeen als miezerig ervaren wordt. Als de werkelijkheid niet bevalt, maken we een virtuele werkelijkheid.

Ah, ooit nog een virtuele noodlanding maken in de Kalahari-woestijn! werd me geë-mailed door een vriend die van het virtuele leven aan de elektronische snelweg veel verwacht. Met virtueel gevaar en een virtuele dood tot het volgende computerspelletje als de landing mislukt. Je wordt er claustrofoob van als je er te veel op gaat letten. Een paar dagen geleden sloeg het televisiejournaal weer toe. Nu ging het niet om vliegende stoelen maar om jeugdcriminaliteit, die voor 75 procent in de hersenen zat en door vroegtijdige opsporing uitstekend zou kunnen worden behandeld. De behandelaar zat al klaar om het werk te beginnen en zijn artikel, nog niet eens gepubliceerd, werd geciteerd alsof het Gods woord was. Ze zouden daar bij het journaal wat voorzichtiger moeten worden als ze met wetenschappers praten, want ze hebben een vreemde voorkeur voor het type van de krankzinnige geleerde.