PvdA bedrijft symboolpolitiek in de slag om de zondagsrust

Kooplustigen kunnen straks twaalf zondagen per jaar winkelen als ook de Eerste Kamer instemt met het kabinetsvoorstel de openingstijden te verruimen. De PvdA wil zo, door het aantal winkelzondagen te beperken, de stress-maatschappij tegengaan. Maar volgens Kees Versteegh is het voorstel een modderig compromis geworden en wordt een kans gemist voor een daadwerkelijke maatschappelijke discussie.

De paarse coalitie beslist vandaag over een “kleine relativering van de stress-maatschappij”. De Winkeltijdenwet van minister Wijers die in de Tweede Kamer ter stemming is gebracht, is voorzien van een amendement dat bovenstaande uitspraak, afkomstig van het Tweede-Kamerlid M. van Zuijlen (PvdA), als drijfveer heeft. Om de oprukkende commercialisering, dynamisering en daaruit voortvloeiende stress enigszins te relativeren, heeft het PvdA-Kamerlid met steun van het CDA ervoor gezorgd dat het aantal zondagen waarop de winkels dicht zijn, per jaar centraal wordt gereglementeerd. Voor funshoppers en kooplustigen zijn twaalf zondagen per jaar beschikbaar in plaats van zoveel zondagen als de gemeenten maar willen, de optie van het kabinet.

Hiermee heeft de PvdA symbool-politiek bedreven in de beste CDA-traditie. “Het CDA het principe, wij de praktijk”, schamperde men in de PvdA enkele jaren geleden eens naar aanleiding van een compromis ten aanzien van een overigens veel principiëler kwestie - de euthanasie-wetgeving. Zo is het echter ook met de winkelwet. Ook via de door de PvdA blijkbaar gewenste centraal geleide liberalisering biedt de winkelwet genoeg openingen voor onrust en commercialisering. De vakbonden die met Albert Heijn en andere grootgrutters overhoop liggen over de onregelmatigheidstoeslag in een nieuwe supermarkt-CAO kunnen erover meepraten.

Belangrijker is echter dat, ondanks alle gebezigde retoriek vorige week in het parlement, de Tweede Kamer niet beslist over commercie en dynamiek. Verantwoordelijke burgers doen dat zelf. Het feit dat lang niet overal gebruik wordt gemaakt van de huidige vrijheid van acht koopzondagen per jaar geeft aan dat het nogal meevalt met de zondige verschijnselen die vorige week door onder meer de kleine christelijke partijen en het CDA werden gesignaleerd. Minister Wijers putte vorige week in de Tweede Kamer uit een telefonisch onderzoek dat zijn ministerie onder alle gemeenten had laten uitvoeren. Daaruit bleek dat in 1995 zeventig procent van de gemeenten een of meerdere koopzondagen kende, dertig procent dus helemaal niet. Minder dan de helft van die zeventig procent, 47 procent, had alle acht koopzondagen opgebruikt. Van deze groep gemeenten reserveerde de meesten tussen de vier en zes koopzondagen per jaar voor hun burgers, onder meer voor specifieke festiviteiten als een bloemencorso of jaarmarkt.

Uit een onderzoek dat het liberale Kamerlid B. van Erp door zijn medewerkster had laten uitvoeren bleek ook nog een ander gevarieerd patroon: een kleine gemeente op het platteland met een grote meubelhal en een Belgische concurrent in de buurt, maakt soms gretiger gebruik van de acht koopzondagen dan een grote stad. Bovendien bleek dat niet alle randgemeenten zoals die rond Breda, de vaak genoemde voortrekkersrol van een grote stad volgen.

Het oorspronkelijke wetsvoorstel van minister Wijers was eerlijker en authentieker dan het voorstel dat nu, ontsierd door een modderig compromis, naar de Eerste Kamer wordt gezonden. Door de beslissingsbevoegdheid bij de gemeenteraden te leggen vormde het plan van Wijers een interessante uitdaging aan het adres van de lokale democratie. Weliswaar kunnen gemeenten nu ook al zelf besluiten over de zondagsopening binnen de marge van acht, straks twaalf, per jaar. Maar de charme van het wetsvoorstel van Wijers was dat deze meer het karakter had van een toegeworpen handschoen. Het had een politieke discussie kunnen provoceren in de eigen leef- en werkomgeving over de gevolgen van de commercialisering die zich nu - voorzien van het anti-stress-pilletje van de PvdA - sluipenderwijs voltrekt.

Het was dan zeker geen uitgemaakte zaak geweest dat alleen op de Veluwe of op de Zuid-Hollandse eilanden de zondagsrust bewaard was gebleven. Het interessante van de maatschappelijke discussie van de laatste maanden was juist dat zich een bonte coalitie aftekende van maatschappelijke groeperingen die om uiteenlopende redenen bezwaren aantekenden tegen winkelopening op zondag. Vakbonden, de milieu-beweging en middenstandsorganisaties hebben zich vooral in het landelijk debat geroerd. Maar wat te denken van sportverenigingen, politiek niet ongevaarlijke ouderenbonden, of islamitische groepen die - hoewel zelf hun godsdienst op een andere dag vierend - sympathiseren met de gedachte van zondag als rustpunt voor iedereen?

Het CDA zou geen bezwaar kunnen hebben tegen zo'n levendige 'middenveld'-discussie - ongetwijfeld intensief begeleid door regionale zenders en lokale talk-radio. Of zijn de christen-democraten bang dat in zo'n geval een voor hen pijnlijke waarheid boven tafel komt?

In het maatschappelijk debat over de winkelwet tot nu toe bleven de kerken tamelijk onzichtbaar. Weliswaar stuurde de Raad van Kerken in januari van dit jaar een bezorgde brief naar premier Kok. Maar op lager niveau kwam er, met uitzondering van orthodoxere groepen, uit deze hoek beduidend minder protest dan van de eerder genoemde maatschappelijke groeperingen als vakbonden en middenstanders. In dit opzicht vormde de verzuchting van een protestantse kerkbestuurder in Den Haag dat de slag om de zondagsrust in deze geseculariseerde samenleving bij voorbaat verloren is, waarschijnlijk een representatief maar tevens misplaatst geluid. Alsof alleen de kerk over die zondagsrust gaat.

Orthodoxere collega's van die kerkbestuurder zouden zich in een door Wijers geprovoceerde lokale discussie, waarschijnlijk meer geweerd hebben dan hun minder zware geloofsgenoten. Eén van de kenmerken van de liberale samenleving is nu eenmaal dat liberale christenen die samenleving minder kleur geven dan orthodoxe. De EO is niet voor niets nu al groter dan de NCRV. En tijdens het Tweede-Kamerdebat over de winkelwet was het vooral RPF-voorman L. van Dijke die de liberaal Wijers hard attaqueerde. CDA-parlementariër R. Smits was op dit punt veel minder actief.

Toen minister Wijers bijna een jaar geleden in deze krant trachtte de essentie van het paarse beleid onder woorden te brengen, zei hij: “Het gaat om de snelheid, de scherpte van beslissingen - een zekere compromisloosheid zoals bij de Winkeltijdenwet” Zowel gemeten naar snelheid als naar scherpte heeft de bewindsman redelijk hoog op deze paarse meetlat gescoord. Het D66-Kamerlid J. van Walsem juichte vorige week dat “waar vorige kabinetten pakweg dertig jaar bezig zijn geweest om de winkeltijden met een half uur te verruimen, deze coalitie het voor elkaar krijgt om binnen anderhalf jaar de winkeltijden met drieëneenhalf uur per dag te verruimen.” Dat neemt niet weg dat een andere 'scherpe' uitdaging die in het wetsvoorstel van Wijers besloten lag, alsnog verloren is gegaan.