Nieuwe spelling (6)

De leden van het Comité van ministers hebben op 24 oktober 1994 een spellingbesluit ondertekend waarin zonder hun medeweten regels waren veranderd. Dat schrijven Liesbeth Koenen en Rik Smits (NRC Handelsblad, 2 december). Welnu, Koenen en Smits hadden er beter aan gedaan de Taalunie even om een toelichting te vragen, alvorens zo'n beschuldiging te uiten.

Het is juist dat er een verschil is tussen het spellingbesluit van 21 maart en 24 oktober 1994, maar de ministers hadden daar zelf om verzocht. De regels zijn opnieuw geformuleerd door de Taaladviescommissie, omdat de ministers, onder meer op grond van adviezen van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren, tot de conclusie waren gekomen dat het begrip 'kortste vorm' bij toepassing op de woordenschat, problemen zou opleveren. Naast de herformulering van de regels werd aan de Taaladviescommissie gevraagd een beperkt aantal uitzonderingscategorieën voor te stellen. Bovendien kreeg de commissie de opdracht het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden, dat de Woordenlijst heeft samengesteld, te adviseren bij overblijvende twijfelgevallen.

Omdat de formulering van een aantal uitzonderingscategorieën zelf tot onduidelijkheden aanleiding gaf, heeft de Taaladviescommissie in het kader van haar begeleidingsopdracht de formulering nog op een aantal onderdelen verder aangescherpt. Dat is niet “in regelrechte tegenspraak met het besluit van 24 oktober”. De ministers hadden daarin ook besloten dat de Taaladviescommissie de toepassing van de regels op de Woordenlijst zou begeleiden. Dat dit soms tot andere uitkomsten heeft geleid, is aan het Comité van ministers tijdens de vergadering van september 1995 gerapporteerd.

Kortom, de suggestie van Koenen en Smits dat het besluit niet correct is uitgevoerd, raakt kant noch wal. Eén telefoontje naar de Taalunie was voldoende geweest om dit te achterhalen.