De Franse en de Europese orde

Herhaalt de geschiedenis zich? In het voorjaar van 1968 brak aan de Franse universiteiten - vooral die van Parijs - een opstand uit, die de staat bijna op zijn grondvesten deed wankelen, te meer daar de arbeiders van de verwarring waarin de regering zich bevond, gebruik maakten om hun eisen te stellen. Op een goed ogenblik liep de zaak zo hoog op dat het staatshoofd - generaal De Gaulle - zijn toevlucht zocht bij de Franse troepen in Duitsland.

Nu - bijna 28 jaar later - ligt Frankrijk weer lam als gevolg van stakingen van studenten en arbeiders. Zijn de oorzaken dezelfde en zullen de gevolgen dezelfde zijn? De oorzaken zijn in elk geval niet dezelfde: de studentenopstand van 1968 was minder een uiting van wanhoop en uitzichtloosheid dan van rebellie tegen een oudere generatie en haar gewoonten. Een welvaarts- eerder dan een armoedeverschijnsel.

Aan de vooravond van die opstand had een bekende journalist, nietsvermoedend, in Le Monde een artikel gepubliceerd onder de titel La France s'ennuie (Frankrijk verveelt zich). En inderdaad, generaal De Gaulle was al tien jaar aan de macht, oppositie was er nauwelijks, het land maakte een ongekende bloei door, economische en sociale problemen waren er schijnbaar niet. En toen barstte de bom.

En de bom barstte niet bij de arbeiders, maar bij de studenten. Die waren grotendeels kinderen van min of meer welgestelde ouders. Dus materieel hadden ze weinig te klagen. Het was tegen het systeem van die ouders dat zij in opstand kwamen, la France de papa. In zekere zin was het een luxe-opstand, mogelijk gemaakt door de welstand (die verveling had veroorzaakt) en zonder veel risico's voor eigen leven en goed.

Nu is de toestand heel anders. Frankrijk staat er economisch niet goed voor. Er heerst grote werkloosheid, die de studenten ook in het gezicht staart: wat zijn hun vooruitzichten? Daarbij zijn de universiteiten overvol. Terwijl in 1968 de studenten in opstand kwamen tegen hun professoren, klagen ze nu dat er te weinig van zijn. Hun opstand is economisch, niet ideologisch bepaald.

En de gevolgen? Economisch had de opstand van 1968 vrijwel geen gevolgen. Frankrijk was zo welvarend dat het een loonsverhoging van veertien procent, die de arbeiders - die overigens niets van die rebellie van 'rijkeluiskinderen' wilden weten, maar er wèl gebruik van maakten - eisten, aankon. Politiek waren de gevolgen eerder averechts. De Gaulle keerde, nadat minister-president Pompidou de rust had hersteld, terug uit Duitsland en schreef verkiezingen uit, die hij met absolute meerderheid won. Het conservatieve Frankrijk reageerde, zij het laat en na concessies. Voor De Gaulle was het een laatste flikkering van de glorie, want in 1969 verloor hij een referendum en trad hij af. Een jaar later was hij dood. Maar tot 1981 zou Frankrijk conservatief geregeerd blijven.

De sociaal-culturele betekenis van de opstand van 1968 was natuurlijk enorm, zoals de gevolgen van de hele 'revolutie' van de jaren zestig, waarvan de Parijse meidagen slechts een onderdeel waren, enorm waren. Of er nu in Europa conservatieve dan wel progressieve regeringen aan de macht waren, de zeden van de samenleving werden grondig en blijvend veranderd.

Dit universele aspect lijkt de opstand van 1995 in Frankrijk niet te vertonen. Hij lijkt eerder een reactie te zijn op de economische toestand in één land, Frankrijk, en weinig verbinding te hebben met andere soorten van onvrede. Ook kan van verveling moeilijk sprake zijn: terwijl in 1968 De Gaulle tien ononderbroken jaren het land had geregeerd, heeft er in 1995 net een wisseling van de macht plaatsgevonden, met het heengaan van de socialist Mitterrand en de komst van de gaullist Chirac.

De oorzaken van de opstand van vandaag moeten dus eveneens gezocht worden in het tijdperk-Mitterrand. In zekere zin is hij er een erfenis van, hoewel het al tijdens de verkiezingscampagne van dit voorjaar duidelijk was dat Chirac al zijn tegenstrijdige beloftes niet zou kunnen houden en dus op een crisis zou afstevenen. Wat dat betreft, heeft hij die opstand dus wel aan zichzelf te wijten.

En de gevolgen? Het ziet er nu al naar uit dat de economische gevolgen van de opstand zo ingrijpend zullen zijn, dat Frankrijk, ook als Chirac het been stijf houdt, moeilijk aan de criteria van de Economische en Monetaire Unie zal kunnen voldoen. En als hij het been niet stijf houdt, maar aan de wensen van de stakers toegeeft, kunnen we het wel helemaal vergeten.

De toekomst van Europa, althans zoals uitgestippeld in Maastricht, is dus in gevaar. Maar ook om een andere reden geeft de toestand weinig grond voor optimisme: een gaullistische regering die zo verzwakt is als die van Chirac en Juppé nu is, zal uiterst moeilijk concessies kunnen doen die de nationale soevereiniteit van Frankrijk lijken aan te tasten. De Gaulle zei eens: “Ik kan geen concessies doen: daarvoor ben ik te zwak”.

Van een Oostenrijks staatsman uit de negentiende eeuw is het woord: “De dag waarop Frankrijk orde in eigen huis schept, schept het wanorde in Europa”. Generaal De Gaulle scheen die regel te bevestigen, want toen hij in 1958 orde in Frankrijks huis schiep, stortte de Europese orde zoals mannen als Monnet, Schuman en Adenauer zich die gedroomd hadden, ineen. Nu is er weer wanorde in Frankrijk, maar dat betekent niet dat er orde in Europa komt.