Bill Clinton is terug, en met hem ook Amerika

WASHINGTON, 5 DEC. Toen de gouverneur van de staat Arkansas een kleine drie jaar geleden president werd van de enig overgebleven supermacht, beloofde hij zich vooral op binnenlandse kwesties te zullen richten en op economisch herstel. Op het gebied van de buitenlandse politiek was Bill Clinton onervaren. Zijn belangstelling en zijn prioriteiten lagen elders.

Maar in de eerste jaren van zijn presidentschap bleek Clinton toch een ambitieuze internationale politieke agenda te hebben: Amerika zou zich sterk maken voor mensenrechten en democratie in de wereld, zou agressie tegengaan en de verspreiding van kernwapens een halt toeroepen. Het waren mooie uitgangspunten, die in de praktijk echter nog al eens opgeofferd werden aan andere belangen - zoals goede handelsbetrekkingen met China of de lieve vrede onder bondgenoten. Het buitenlandse beleid van Washington was daardoor zoekend, soms zelfs zwalkend. Het vertoonde weinig samenhang, en dat deed het Amerikaanse aanzien in de wereld geen goed.

Maar zoals zo vaak in Clintons carrière wist the come-back kid uit een hopeloos lijkende situatie verrassend sterk terug te komen. Sinds de Verenigde Staten in de kwestie-Bosnië het initiatief deze zomer naar zich toe hebben getrokken heeft Clinton eindelijk aanzien gekregen als internationaal staatsman. De betrekkelijke rust in Haïti, de akkoorden tussen Israel en de PLO, het harde NAVO-optreden in Bosnië en de vredesakkoorden van Dayton, het straalt allemaal op hem af. Het persoonlijke hoogtepunt tot nu toe was voor Clinton de enthousiaste ontvangst die hem de afgelopen week in Noord-Ierland en Ierland als patroon van het vredesproces werd bereid door uitgelaten mensenmassa's met Amerikaanse vlaggetjes.

Maar ook in eigen land lijkt de president, die op zoveel terreinen regelmatig van mening en koers verandert, in de buitenlandse politiek enig houvast gevonden te hebben. Het is alsof hij opeens heeft ontdekt waarvoor hij staat, en tegelijk wat de Amerikaanse rol moet zijn in het internationale krachtenspel van na de Koude Oorlog: een leidersrol. Want niet alleen Clinton is terug, met hem is ook Amerika terug.

“De centrale rol van Amerikaans leiderschap is een van de dingen die ons in de afgelopen drie jaar van deze regering zijn duidelijk geworden”, constateerde minister Christopher onlangs nuchter in The Washington Post. “Een van de conclusies die we in 1995 trokken was dat Amerikaans leiderschap noodzakelijk was om het probleem-Bosnië op te lossen.” Na lang talmen, en met grote tegenzin, heeft de regering- Clinton de hoop opgegeven dat de Europeanen hun eigen problemen konden oplossen zonder Amerikaanse inmenging. Leiderschap is nu het devies van Clinton in de buitenlandse politiek, in recente toespraken haalt hij het begrip tientallen keren aan. Als Amerika niet leidt, wordt de klus niet geklaard, heet het in lichtverteerbare campagnetaal.

Pag.5: Clinton door omstandigheden gedwongen

Zoals president Bush na de Iraakse invasie van Koeweit een zetje nodig had van de Britse premier Thatcher voor hij zijn leiderschap toonde en Saddam Hussein de wacht aan zegde, zo had Clinton een zetje nodig van de Franse premier Chirac. Die tergde hem op Quatorze Juillet met de constatering dat de post van leider van de vrije wereld vacant was. De Serviërs hadden toen net de enclave Srebrenica ingenomen, en de frustratie over de toestand in Bosnië was groot, ook in de Verenigde Staten.

Maar Clinton werd uiteindelijk vooral door de omstandigheden gedwongen een actievere rol in Bosnië te spelen. Zou hij zich afwachtend blijven opstellen, dan riskeerde hij een verheviging van de oorlog die kon leiden tot terugtrekking van de blauwhelmen uit het gebied. Clinton had eerder toegezegd dat hij voor zo'n operatie Amerikaanse troepen zou leveren. Maar het vooruitzicht die belofte gestand te moeten doen in het verkiezingsjaar 1996, mogelijk in een volop woedende oorlog, moet hem erg hebben afgeschrokken. De ontwikkelingen in Bosnië zouden zijn kansen op herverkiezing kunnen bepalen, zonder dat hij er enige greep op had.

De Amerikaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties, Madeleine Albright, vatte de keuze waar de president voor stond in een memorandum bondig samen: doormodderen is geen optie meer, als het niet lukt een einde aan de oorlog te maken, zullen alle buitenlandse politieke successen van de regering vergeten worden; als we toch troepen naar Bosnië moeten sturen, kunnen we het beter vroeg dan laat doen, en beter volgens ons eigen tijdschema.

De risico's van niets doen waren groter dan de risico's van ingrijpen, zowel voor de Bosnische oorlog, als voor de campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Daarbij speelde ook mee dat de grootste kanshebber om namens de Republikeinen tegen Clinton in het krijt te mogen treden, senator Robert Dole, de afwachtende opstelling van de president jarenlang fel gehekeld had. Daadkrachtig optreden was de enige manier om hem de wind uit de zeilen te nemen.

De manier waarop Clinton tot zijn Bosnische leidersrol is gekomen, en daarmee tot de bevestiging van het belang van een Amerikaanse rol in Europa, suggereert dat het misschien een iets minder principiële keuze is dan hij het nu doet voorkomen in zijn toespraken, waarin hij de nadruk legt op de verdediging van Amerikaanse waarden en trouw aan de bondgenoten. De president steekt weliswaar zijn nek uit door, ondanks grote reserves in eigen land, 20.000 Amerikaanse manschappen de vrede in Bosnië te laten bewaren. En hij verbindt daarmee zijn politieke lot aan het welslagen van de operatie. Maar Clinton is een bedreven politicus, die alles op alles zal zetten om zijn herverkiezing mogelijk te maken. Mocht over enkele maanden de roep in de Amerikaanse publieke opinie en het Congres gaan klinken om de troepen uit Bosnië terug te trekken, bijvoorbeeld als er te veel slachtoffers vallen, dan kan het voor Clinton erg moeilijk worden zijn leidersrol vol te houden.

Zowel de president als zijn ministers bereiden de bevolking er al op voor dat het onvermijdelijk is dat er slachtoffers vallen. Het is niet te voorspellen bij welk aantal de publieke opinie in opstand komt, maar de vredesoperaties in Libanon en Somalië werden afgeblazen na respectievelijk 241 en 18 Amerikaanse doden. De NAVO-bombardementen in Bosnië hebben laten zien dat de hervonden Amerikaanse leidersrol direct gekoppeld is aan de Amerikaanse militaire macht. Maar als dat militaire apparaat van die wereldmacht alleen ingezet kan worden als er geen, of vrijwel geen, slachtoffers vallen, zegt dat wel iets over de geloofwaardigheid van dat leiderschap.

“De mensen in Bosnië, onze bondgenoten in de NAVO en mensen overal ter wereld verwachten nu leiderschap van Amerika”, zei Clinton vorige week in een televisietoespraak. Dat mag (bijna) overal ter wereld zo zijn, in de VS zelf bestaan er nog grote twijfels over de noodzaak van zo'n rol. In dezelfde rede zei de president dat Amerika niet de politieman van de wereld “kan en moet zijn”, waarmee hij de beperking van het leiderschap leek aan te geven. De rol die de VS spelen bij het vredesproces in Noord-Ierland, hoe belangrijk ook, is meer die van bemiddelaar, eventueel vroedvrouw, dan leider. Voor het Midden-Oosten geldt dat ook. In die conflicten stelt de president zich ook meer op als een soort secretaris-generaal van de VN, zoals een Amerikaanse krant gisteren constateerde, dan als de leider van een wereldmacht.

    • Juurd Eijsvoogel