Nieuwe Tomba kan polderjongen zijn

BERGSCHENHOEK, 4 DEC. Zijn nationale titel alpine-skiën op een kunstbaan stelt internationaal natuurlijk helemaal niets voor. Al was het alleen al omdat skiën op plastic rasters niet te vergelijken is met skiën op sneeuw. Het vereist een andere techniek en is volgens de kenners veel meer een kwestie van “knallen, raggen en beunen”. Maar Bram van Es moest en zou toch eerste worden bij de Nederlandse kampioenschappen, gisteren in Bergschenhoek. Dat was hij niet alleen een beetje aan zijn stand verplicht, het betekende ook extra publiciteit voor zijn sponsors. En daarbij: als hij ergens een gruwelijke hekel aan heeft, is het wel aan verliezen.

Van Es oogt nog redelijk fris, vlak na zijn tweede en afsluitende afdaling in 16,13 seconden. De afgelopen maand verbleef hij met de nationale ploeg in de Verenigde Staten voor een trainingsstage en enkele wedstrijden. De trip werd vrijdagavond en -nacht afgesloten met een feest. Zaterdagnacht zat hij in het vliegtuig. In het gezelschap van collega's was de vlucht “aangenaam, bijna gezellig”. Van Es permitteerde zich zelfs een borrel.

Vier uur voor het NK landde hij op Schiphol, waar hij vervolgens nog eens twee uur moest rondhangen omdat zijn tien paar ski's op zich lieten wachten. Na een snelle douche en ongeveer één uurtje slaap in twee dagen, was hij nog net op tijd voor de eerste manche. Ondanks concentratieproblemen was hij in 13,96 seconden in die afdaling de snelste.

Van Es geldt al jaren als een groot talent, niet alleen in eigen, van bergen en voldoende sneeuw verspeende land, ook internationaal. Als klein kind leerde hij skiën tijdens wintersportvakanties met zijn ouders in het Alpengebied, in Nederland oefende hij op kunstbanen. Op zijn twaalfde werd hij toegelaten tot het Skilyceum van de Nederlandse Ski Vereniging in het Oostenrijkse Altenmarkt. Hoewel Van Es wegens faillissement van het opleidingsinstituut maar een jaar op het lyceum vertoefde, ontwikkelde hij er zich razendsnel. Het joch uit het vlakke land achter de dijken verbaasde zelfs trainers en coaches uit landen met een grote ski-traditie, vooral toen hij op zijn vijftiende tweede werd op de wereldkampioenschappen in zijn leeftijdscategorie. “Een unieke prestatie voor een Nederlander”, zegt hij zelf over die zilveren medaille.

De jaren daarna bleven zijn prestaties bij internationale wedstrijden goed genoeg voor een plaats bij de eerste vijftien, maar in 1993 “ging het goed mis”, zegt Van Es. “Ik kreeg een hernia, onderging een zware operatie en moest daarna weer leren lopen.” Na het revalidatie-proces bleek hij ook nog te kunnen skien, hoewel hij vorig seizoen door alle fysieke problemen wel naar de 222ste plaats op de wereldranglijst was gezakt. Een lijst waarop overigens wel zo'n vijfduizend namen staan.

Inmiddels staat hij weer bij de eerste tweehonderd, aan het eind van dit seizoen wil hij bij de beste honderd horen. Zijn uiteindelijke doel is een top-dertig positie, “want dan heb je het internationaal toch een beetje gemaakt”.

En waarom zou dat voor een polderjongen niet tot de mogelijkheden behoren, vraagt hij zich af. “In elk land zit skitalent, waar het om gaat is dat dat talent de faciliteiten en begeleiding krijgt die nodig zijn om de top te halen. De Nederlandse jeugd die nu op het Volvo Ski College (in de plaats gekomen van het Skilyceum, red) in Oostenrijk zit, traint net zo veel als de getalenteerde jongeren uit de Alpenlanden. Daarom kan een nieuwe Tomba ook best uit Nederland komen.”

Van Es is nog geen Alberto Tomba, maar dit seizoen gaat vooralsnog voorspoedig. Bij een slalom in Amerika waaraan ook enkele skiërs van naam deelnamen, werd hij zevende. Zelf vindt Van Es dat hij momenteel beter skiet dan ooit tevoren. Vooral dankzij beter materiaal, aarzelt hij niet te bekennen. Hij staat dit jaar onder contract bij “de producent van de beste ski's”. Dat bedrijf zorgt er bij World-Cupwedstrijden ook voor dat hij een zogenaamde service-man tot zijn beschikking heeft. “Een manusje-van-alles die niet alleen mijn materiaal in topconditie brengt, maar daarnaast ook nog allerlei andere zaken voor me regelt. Daardoor hoef ik me, in tegenstelling tot voorgaande jaren, alleen maar met de wedstrijden zelf bezig te houden.”

Die wedstrijden maken van hem een wereldreiziger, de ene week zit hij ergens in Australië, de andere ergens in de Verenigde Staten. En vervolgens door naar Bergschenhoek. Zo gaat dat al jaren en zo zal dat als het aan hem ligt nog jaren doorgaan ook. Constant op vakantie, hoort hij vaak zeggen. Constant koffers in- en uitpakken, constant door de douane, zegt hij zelf. Een enerverend bestaan, dat zeker, maar ook vreselijk vermoeiend. En aan de start van een wedstrijd moet hij toch weer fit zijn.

Een paar dagen Nederland aan kunnen doen, een paar dagen zijn ouders en vriendin kunnen zien, dàt is pas vakantie. Ook al moest hij zich bij het NK nog ruim een halve minuut inspannen om titelverdediger Harald de Man zeshonderdste van een seconde voor te blijven.