Man van graniet bijna tot tranen bewogen

Kleur bekennen, Ned.3, 21.03u.

“Kom je nou lekker bij me liggen?” Op de grond in een gymlokaal ligt Martin Simek, boven hem toornt de man van graniet, oud-wereldkampioen judo, Wim Ruska. Het is een van de vele mooie en licht absurde zinnen die in dit programma worden uitgesproken. Een vraag ook die de interviewstijl van duvelstoejager Simek kenmerkt. De boomlange interviewer vluchtte ooit uit Tsjechoslowakije waar hij economie studeerde. In Nederland ontpopte hij zich tot cartoonist (Anone) en verdiende zijn geld als tennisleraar. Lichtvoetig, gevoelig en bezijden gebaande paden interviewt hij min of meer bekende Nederlanders.

Simek opent de uitzending met de constatering dat het voor de wedstrijd vaak het spannendst is. Het blijkt dat hij niet naar zijn ervaringen in het tennissen verwijst maar naar zijn komende ontmoeting met Ruska. Wanneer diens silhouet in de deuropening verschijnt begrijp je waarom. De lange Simek lijkt opeens een jongetje vergeleken bij reus Ruska. De mannen gaan op een gymtoestel zitten en vrijwel onmiddellijk is de toon gezet. Een schaduw van ontchoocheling valt over het vriendelijk samenzijn. Al het goud dat Ruska ooit op de internationale mat won bevindt zich als oud wasgoed in een sporttas. Met tegenzin overhandigt Ruska zijn gouden plakken, ze hebben hem niet gebracht waar hij op had gehoopt, roem en erkenning.Tien jaar lang trainde Ruska, zes uur per dag, om uit het verblindende licht van wereldkampioen Geesink te komen en de wereld te tonen dat Nederland nog een judokampioen telde. Nederland droeg de sympathieke volksjongen uit Utrecht die de Japanners voor het eerst in het stof deed bijten op handen. Ruska, het vechtertje uit Amsterdam, wilde laten zien dat hij minstens zo goed was als Geesink. Dat was hij waarschijnlijk ook, maar van de eer die Geesink ten deel viel heeft hij nooit iets mogen proeven.

Ruska won op de Olympische Spelen van 1972 in München na het goud in zijn gewichtsklasse ook het goud in 'alle categorieën'. Maar toen hij het erepodium ten tweede male beklom was Nederland en de rest van de wereld gedompeld in rouw. Een Palestijns terreurcommando had de leden van de Israelische worstelploeg in gijzeling genomen. Gijzelaars en terroristen vonden de dood tijdens een vuurgevecht met Duitse militairen. Ruska, die op de Spelen was gebleven om verder te knokken, werd verguist. Na alle opofferingen die hij zich had getroost, al het huwelijksgeluk dat hij zijn vrouw had ontzegd, wachtte hem in Nederland slechts verwijten. Dat hij op jacht naar goud zomaar voorbij kon gaan aan het Israelische drama! Zwartgallig kijkt Ruska terug op zijn sportleven, waar was het allemaal goed voor? Maar bovenop een piepende Simek, (“Ik blijf liggen want ik heb gehoord jij bent niet goed in grondvechten.”) legt hij trefzeker houdgrepen, verwurgingen en armklemmen aan, en je ziet hem lachen. Het judobloed stroomt weer.