Kosovo is vergeten hoofdstuk in vredesakkoord voor Bosnië

De vreugde over het vredesakkoord tussen Bosnië, Kroatië en Servië heeft veel bittere ondertonen. Eén van die bittere tonen is dat Kosovo niet bij de “alomvattende regeling” is inbegrepen. Dat is verbazingwekkend, aangezien de Joegoslavische crisis in Kosovo is begonnen.

Om de historie even terug te halen: Kosovo was een van de acht constituerende delen van de voormalige Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië: zes republieken en twee autonome Servische provincies, Kosovo en Vojvodina. De autonome provincies hadden vrijwel dezelfde status als de republieken.

Met het verlenen van de autonome status aan Kosovo in 1974 kwam Tito tegemoet aan de wens van zelfbestuur van de bevolking die voor negentig procent van Albanese afkomst is. Er waren Albanezen die dat nog niet ver genoeg ging; zij wilden de status van republiek. Al in 1981 ontstonden daarover rellen die met grof geweld werden onderdrukt. De Serviërs wilden helemaal geen autonomie voor Kosovo, omdat zij dat gebied beschouwen als de wieg van de Servische natie.

In het woelige jaar 1989, toen Oost-Europa het communisme begon af te schudden en de Joegoslavische Federatie op haar grondvesten trilde, zag Milosevic, de latere Servische president, de kans schoon om de autonomie van Kosovo op te heffen. Voortaan werd Kosovo rechtstreeks vanuit Belgrado bestuurd. Dat gebeurde met harde hand. Albanese politie- en justitie-beambten werden ontslagen en vervangen door Serviërs en Montenegrijnen. Onderwijs in de Albanese taal werd verboden en de leerkrachten die zich daaraan niet hielden, kregen ontslag. In de gezondheidszorg werkzame Albanezen werden ontslagen. Bij overheidsdiensten en staatsbedrijven vielen massale ontslagen. Het hele economische en sociale leven raakte ontwricht. De repressie nam voortdurend in hevigheid toe.

Veel organisaties hebben in de loop van de tijd gerapporteerd over de dagelijkse en veelvuldige schendingen van de mensenrechten in Kosovo. Vorig jaar bracht Amnesty International alleen over Kosovo al drie rapporten uit. Maar ook Servische organisaties, zoals het Helsiki Committee for Human Rights in Serbia en het Humanitarisan Law Fund, beide in Belgrado, klagen de wantoestanden in Kosovo aan. En op 23 december 1994 nam de Algemene Vergadering van de VN een uitgebreide resolutie aan, waarin “the discrimination and judiciary branches of government, education, health care and employment aimed at forcing ethnic Albanians to leave” krachtig wordt veroordeeld.

De Albanezen verzetten zich tegen de Servische onderdrukking. Zij deden en doen dat volstrekt geweldloos. Deze geweldloze houding heeft internationaal veel lof geoogst. Leden van verscheidene ambassades in Belgrado hebben, wanneer zij de Albanese leiders in Prishtina bezochten, hierover namens hun land de loftrompet gestoken, daaronder Duitsland, Oostenrijk en de Verenigde Staten.

Met een enorme krachtsinspanning proberen de Albanezen het maatschappelijk leven zo goed mogelijk te organiseren. Vrijwel zonder middelen hebben zij het Albaneestalig onderwijs en de gezondheidszorg in stand weten te houden. In 1990 hebben de Albanese afgevaardigden in het ontbonden parlement de onafhankelijke republiek Kosovo uitgeroepen en een grondwet geproclameerd die een jaar later in een volksreferendum is aanvaard. In mei 1992 zijn er verkiezingen voor parlement en president gehouden. De schrijver dr. Ibrahim Rugova werd tot president verkozen. President en parlement worden uiteraard niet door Servië erkend.

De Albanese leiders hebben zich steeds laten horen bij de wereldfora. Al jaren dringen zij aan op het stationeren van een VN-macht in Kosovo, het demilitariseren van dit gebied en het instellen van een tijdelijk internationaal bestuur om ruimte te scheppen voor een definitieve oplossing. Dit werd welwillend en soms ook instemmend aangehoord, maar er gebeurde niets.

Dikwijls ook is er van Albanese zijde voor gepleit om de sancties tegen Servië niet op te heffen, zolang in een allesomvattende regeling voor ex-Joegoslavië niet ook Kosovo is opgenomen. Ook dit werd door diverse politici ondersteund. Bernt Borharbt, hoofd van de sectie Oost-Europa van het Duiste ministerie van buitenlandse zaken, verklaarde in juni dat Duitsland de verbinding van de santies tegen Servië en Montenegro met de oplossing van de kwestie Kosovo ondersteunt.

Enkele weken later nam het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden een amendement van wet aan waarin werd bepaald dat het opheffen van de sancties verbonden moet zijn met het recht van de Kosovaren om zichzelf te besturen. En de president van Albanië, Berisha, kreeg in september van president Clinton de verzekering dat hij en zijn regering zich inzetten voor het bereiken van een oplossing van de kwestie Kosovo en dat er geen normalisering van de betrekkingen van de VS en de internationale gemeenschap met Klein-Joegoslavië kan zijn voor de kwestie Kosovo is geregeld. In dezelfde geest sprak de Europese Unie zich uit in een beleidsstuk dat verscheen kort voor het begin van de onderhandelingen in Dayton.

Het lag dus in de lijn der verwachting dat bij de vredesonderhandelingen over Bosnië ook de kwestie Kosovo zou worden betrokken en vertegenwoordigers van de Albanezen aan de besprekingen zouden deelnemen. De onderhandelaar Richard Holbrooke had nog in oktober gezegd, dat er geen vrede op de Balkan kan zijn als de kwestie Kosovo niet is opgelost.

Desondanks kwam Kosovo in Dayton niet ter sprake. Het vredesakkoord is nu rond, maar Kosovo komt er niet in voor. De sancties zijn opgeschort en zullen zeker worden opgeheven, zodat dit drukmiddel uit handen is gegeven. Kosovo is gewoon vergeten. Dat juist de Amerikanen die zo'n grote druk op de vredesbesprekingen hebben uitgeoefend, ook inhoudelijk, hun positie niet hebben gebruikt om hun toezeggingen inzake Kosovo gestand te doen, is onbegrijpelijk en ook onverteerbaar.

Met het vredesakkoord is het uiteenvallen van Joegoslavië bezegeld. De voormalige deelrepublieken gaan alle hun eigen weg. Maar dat is niet weggelegd voor de vroegere autonome provincies Kosovo en Vojvodina. Zij mogen niet zoals de andere constituerende elementen van voorheen Joegoslavië zelf hun toekomst bepalen. Waarom niet?

Voor de Albanezen in Kosovo ziet het er somber uit. Zij zijn nu onbeschermd overgeleverd aan de zuiveringswoede van de Serviërs. Adem Demaçi, voorzitter van de Raad voor de Mensenrechten in Prishtina, zei deze zomder: “Als de repressie onverminderd doorgaat en als de internationale gemeenschap doorgaat met haar politiek van onverschilligheid, zouden er radicale krachten aan de oppervlakte kunnen komen en zou de de situatie niet langer onder controle kunnen worden gehouden.”

Het negeren van de kwestie Kosovo bergt de kiem in zich van een nieuw conflict, waarbij niet alleen Servië zal zijn betrokken, maar ook Albanië, Macedonië, Bulgarije, Griekenland en Turkije.