Jongeren zweren belegen muzikale retoriek boos af

De Nederlandse Muziekdagen: concerten door Radio Filharmonisch Orkest, Radio Kamerorkest en Groot Omroepkoor o.l.v. Ed Spanjaard. Werken van Van Lier, Heppener, Bons, Van Baaren en anderen. Gehoord: 1-2/12 Muziekcentrum Vredenburg.

Een Chinees spreekwoord zegt dat leerlingen die hun leraar niet eren minder waard zijn dan een hond. Robert Heppener kan in dit opzicht niets verweten worden, waar hij over zijn leraar Bertus van Lier wist te melden: “Hij was een Uomo Universale, een alzijdig universeel mens, iemand zoals je waarschijnlijk maar eenmaal in je leven ontmoet. En dan heb veel, heel veel geluk gehad.”

Beide componisten waren door Ed Spanjaard geselecteerd voor de Nederlandse Muziekdagen in het afgelopen weekeinde in het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg onder het thema 'Leraar - leerling'. Maar was Heppener een pedagoog met de uitstraling van een Pijper, Badings of Van Baaren? In het boek over Nederlandse componisten van Marius Monnikendam staat Heppener ingedeeld bij de autodidacten en van een school-Van Lier is in het geheel geen sprake.

Dat Van Lier een bijzondere figuur was staat vast, maar hoe was hij als componist? Volgens mij destijds overschat, ongetwijfeld vanwege zijn erudiete en beminnelijke uitstraling. De uitvoering van Het Hooglied voor sopraan, tenor, bas, kamerkoor en kamerorkest uit 1949 viel mij tegen, zowel wat betreft compositie als verklanking. Steeds meer bezoekers verlieten de zaal en ik kon mij daar wel wat bij voorstellen.

De vermenging van een neo-barokke, maar vooral ook weelderige laatromantische houding met een enkele, wat lichtere Franse toets levert geen eigen signatuur op. Daarbij hindert het mij minder dat de orkestratie onhandig is, de schrijfwijze voor koor eenzijdig instrumentaal, en dat de articulatie naïef aandoet. Ik vind de oerhollands grauwe en elegische vormgeving niet om door te komen, de surrealistische softporno van Het Hooglied kan dat verduidelijken waar sprake is van een zinsnede als “Uw tanden zijn gelijk aan een rij pasgeboren schapen”.

Van Lier schreef een tandeloze muziek, om van andere organen maar te zwijgen. Tegen het slot, wanneer de Herder de gloed van de geliefde een vuurtong noemt, is er sprake van een declamatorische extase als in Bartóks Hertog Blauwbaards Burcht. Zo zijn er nog wel enkele opmerkelijke momenten, maar meestal golft de muziek maar zo'n beetje deinend heen en weer.

Robert Heppeners Derivazioni voor strijkorkest uit 1958 klinkt zo mogelijk nog Franser en in het laatste deel wederom horig aan Bartók. Aangename muziek, maar middelmatig in vergelijking met zijn latere, veel minder vrijblijvend uitgewerkte liederen en koren. Maar misschien hoef je van een begin dertigjarige nog geen persoonlijke muziek te verwachten, wat ook geldt voor Draught van Joël Bons voor veertien blazers en vijftien strijkers uit 1987, zoals de titel zegt niet meer dan een schets in de vorm van een boventoonstudie, die pas gaandeweg iets meer schwung krijgt.

Dan was er nog een concert met de lijn Kees van Baaren-Jan van Vlijmen-Peter-Jan Wagemans-Peter Adriaansz. Wanneer men daaraan Johan Wagenaar en Willem Pijper had doen voorafgaan waren zelfs zes generaties van elkaar afgeleid! Maar veel zegt dit toch niet, zoals Bons ook zeker minstens zoveel opstak van Donatoni en Ferneyhough als van zijn eerste leraar Van Lier. Wel was er in de begintijd bij Pijper sprake van een duidelijke schoolvorming en stonden ook de eerste leerlingen van Van Baaren als het ware met de rug tegen de muur, daartegen aangedrukt door het establishment, volgens mij een voorwaarde voor werkelijke schoolvorming.

Zoals Van Lier nauwelijks meer wordt gespeeld, hoor je ook weinig van Van Baaren, hooguit de cantate The hollow men. Aan de Musica per Orchestra uit 1966 koesterde ik aangename herinneringen, die ik ditmaal in het geheel niet verflauwd opnieuw beleefde. Integendeel, alleen al de subtiele wijze waarop Van Baaren in het slot citeert uit werken van Wagner, Von Suppé, Mendelsohn, Beethoven, Moessorgski, Pijper en Strawinsky, bijna achteloos, is typerend voor het professionele vermogen om ongelijksoortige grootheden te integreren. De uiterst transparante schrijfwijze, de tintelende contrapuntiek, de expressionistische accenten die de aandacht blijven vasthouden: prachtig in één woord!

Ook het wederhoren van Jan van Vlijmens Omaggio a Gesualdo voor viool en orkest met een geïnspireerde Vera Beths (dit concert bleek beter voorbereid dan dat met Van Lier) betekende een feest, al is dit woord misschien minder op zijn plaats voor een ascetische zoektocht rond één grondtoon in een integratie van atonaliteit en tonaliteit. Ten slotte waren mijn reacties verdeeld over Peter-Jan Wagemans' Symfonie op. 3 uit 1972 en Peter Adriaansz' gloednieuwe Chant Ascendant, op een tekst van Jacques Prévert. De symfonie heeft in zijn onstuimigheid zeker iets sympathieks, maar is te overladen en daardoor soms richtingloos en het lied is blijven steken in een experiment. Het klinkt alsof een stuk wordt opgewonden om in het midden af te lopen, waarna het nog eens opgedraaid wordt: die bewegingsimpulsen zijn het meest fascinerend.

Maar de schreeuwende opwinding als in Strawinsky's Pribaoutki (rondtollende schertsliedjes) houdt de aandacht nauwelijks vast. En in ieder geval staat de woedend overrompelende kwaliteit van de jongere generatie haaks op de belegen retoriek van de naoorlogse muziek, dat vooral is wat deze Muziekdagen hebben weten aan te tonen. En natuurlijk: de èchte leraren waren Bartók, Webern en Strawinsky.