Europarlementariër is geen landverrader

Volgens Derk Jan Eppink heeft Nederland zich financieel uitgeleverd aan Europa en dit terwijl het 'nationaal belang' in de buitenlandse politiek onlangs is herontdekt. De zwakste schakels in het opkomen voor het nationaal belang zijn volgens hem de meeste Nederlandse Europarlementa-

riërs. Deze zouden in tegenstelling tot hun collega's uit Spanje, Griekenland, Engeland of Frankrijk het nationaal belang niet scherp in de gaten houden. Verder zouden zij vinden dat er meer geld naar het Euro-budget moet, zouden zij het door Kok zwaar bevochten geld voor de Nederlandse dijken in reserve hebben gezet, zouden ze altijd klagen over de beperkte bevoegdheden, zouden ze de begrotingsbevoegdheden van het Europees Parlement niet gebruiken en ze zouden niets doen tegen fraude. Kortom, de Nederlandse Europarlementariërs zijn kennelijk landverraders.

De opmerkingen van Eppink staan in de context over het debat over de Eigen Middelen van de Europese Unie (de inkomsten van de Europese begroting). De Tweede Kamer mag een besluit daarover van de Europese Raad van Ministers ratificeren. Het Europees Parlement heeft er niets over te zeggen. Eppink slaat de plank dus al direct mis. Het Parlement heeft alleen zeggenschap over de uitgaven van de Europese begroting.

Wat die uitgaven voor onze dijken betreft: het Europees Parlement heeft inderdaad een deel van het geld voor de zogenaamde Communautaire Initiatieven in de reserve gezet. Dat is gebeurd omdat we wat preciezer willen weten wat er met dat geld gebeurt. Zo klaagt de provincie Noord-Holland, dat door dat geld voor de dijken projecten in Noord-Holland moeten worden afgebroken. Die klacht geeft aan dat het geld voor de dijken ergens anders wegkomt, namelijk uit de aan Nederland toegekende 'Struktuurfondsmiddelen'. Hoe wij het nationaal belang kunnen schaden door geld voor Nederlandse polders af te wegen tegen geld voor Nederlandse dijken, maakt Eppink niet helder.

Dat doet hij ook niet met betrekking tot de relatie tussen de begrotingsbevoegdheden van het Europees Parlement en het jaarlijkse Rekenkamerrapport vol 'wanordigheden'. Om te beginnen, over vijftig procent van de begroting heeft het Europees Parlement niets te vertellen; dat zijn de landbouwuitgaven. Het is bekend dat een aantal sectoren van landbouwbeleid een hoge fraudegevoeligheid hebben. Van de Struktuurfondsen weten we minder, want tot juli 1994 gold dat fraude niet aan de Europese Commissie gemeld hoefde te worden. Dat hadden de lidstaten zo afgesproken. Veel meer dan het Europees Parlement zijn de lidstaten het probleem bij verkwisting en fraude. Het Rekenkamerrapport staat vol voorbeelden. Maar het is onzin de 25 procent waarvoor de Rekenkamer geen betrouwbaarheidsverklaring kon afleveren, in verbinding te brengen met fraude. Voor een groot deel speelt wat jarenlang ook bij Nederlandse ministeries speelde: de boekhouding was niet goed bijgehouden of de boekhoudsystemen sloten niet op elkaar aan.

Fraude is er altijd als hoge subsidies in het spel zijn, zelfs in de Nederlandse sociale zekerheid schijnt het regelmatig voor te komen. Het Europees Parlement is zeer alert op fraudebestrijding. Er heeft in Europa, anders dan in Nederland, ook nooit een taboe op bespreking ervan gelegen. We hebben wel een probleem: wetgeving is vooral een competentie van de ministers van Justitie. We kunnen ons in Europa niet altijd aan de indruk onttrekken dat het nationale belang er vooral in is gelegen fraudebestrijding niet als nationaal belang te zien. En wat Eppink betreft: zorgvuldige berichtgeving kan ertoe bijdragen dat daarin eindelijk verandering komt. Maar het gaat vaker zo: de splinter in andermans oog is altijd meer zichtbaar dan de balk in het eigen oog.