'Econologie' is modieuze onzin van struisvogelpolitici

Het nationale milieudebat is onlangs uitgebreid met het woord 'econologie', een samentrekking van economie en ecologie (NRC Handelsblad, 22 november). Volgen Wouter van Dieren is het weer zo'n modekreet die de ernst van de situatie verdoezelt. Duurzame economie betekent krimpen.

Blijkens de berichten staan we aan de vooravond van een gebeurtenis van historische proporties: de geboorte van de econologie, de siamese tweeling van economie en milieu. Op het departement van VROM wordt in ploegendienst aan de komende bevalling gewerkt. Koortsachtig draaft men heen en weer naar de vroeger zo weerspannige collega's van Economische Zaken aan de overkant, die in opdracht van hun minister een groenachtige wimpel aan diens paarse vlaggestok moeten hijsen. Voor milieuminister De Boer is het erop of eronder.

Anderhalf jaar van paars milieubeleid heeft een volledige omwoeling van Nederland opgeleverd, een infrastructurele stoomwals die de komende decennia in megatonnen over het land zal rollen. Geen nood, de econologie zal ertoe leiden dat al dat grondverzet in ieder geval met schone grond zal gebeuren, zo zei de minister manmoedig.

Voortvarend kondigt men een grote conferentie aan waar de geboorte zal worden gevierd. Niemand minder dan Ruud Lubbers zal als voorzitter optreden. Diens hardop beleden stelling luidt, dat de globalisering van de wereldhandel wonderolie voor het milieu is. Voor die opvatting bestaat weinig bewijs. Om een voorbeeld te noemen: 112 landen verkeren nu in de milieu-uitverkoopfase, vanwege de rente-op-rente veroorzakende schuldenlast, en over vijf jaar zijn dat er 172. De zogenoemde economische groei van Zuidoost-Azië en China is een schijntoneel, waarachter een massale aanval op de laatste resten natuur, milieu, watervoorraden en vruchtbare bodem schuilgaat. De inkomensverschillen worden mondiaal niet kleiner, maar groter, en bijgevolg gaat de overexploitatie in de volgende versnelling.

Men spreekt echter over de komende verzoening tussen econmomie en milieu, alsof het allemaal alleen om een soort grote schoonmaak gaat. Men rekent zich rijk met een rapport van A.D. Little dat deze schoonmaaksector - ten onrechte - als een duurzame milieusector ziet en de enorme omzetten erin als een indicatie voor een nieuw soort wereldeconomie, die van de schone totaalgroei. En men kondigt een groen BNP aan, zonder kennelijk te weten waarom dat er moet komen en wat het inhoudt.

Dat de Brundtland-commissie in zijn rapport zou hebben geconcludeerd dat economische groei en duurzaamheid mooi samengaan is pertinent niet waar. Secretaris-generaal Jim MacNeill laat niet na er op te wijzen, dat 'duurzame economische groei' als begrip een paskwil is.

Econologie is onzin, want het is onmogelijk om economie en milieu te laten samengaan zonder aan de wortels van de economische werkelijkheid te knagen. Waar meer auto's komen, is minder groene weide, en de stad vreet het platteland op. Steeds meer mensen zullen steeds minder ruimte (moeten) overlaten voor plant en dier. Waar men varkens mest is geen natuur. Waar vlietuigen landen, snelwegen razen en containers worden doorgevoerd is geen stilte, groeit geen orchidee en ligt Arcadië ver weg. Economische groei wordt volgens internationale afspraken statistisch gemeten in de produktie van goederen en diensten, uitgedrukt in monetaire termen. Het is niet zo dat er nu steeds meer diensten in de plaats komen van goederen, en dat daarmee het materiële beslag op milieu, grondstoffen en energie per eenheid economische activiteit steeds minder zal worden. Enige ontkoppeling is mogelijk gebleken, vooral tussen BNP en energiegroei, maar al gauw blijken enkele elementaire fysische en biologische wetmatigheden hun tol eisen.

Dit valt het beste te illustreren met de wet van de verminderde meeropbrengst in de energiebesparing. De eerste golf van woningisolatie leidde in de jaren 1980/85 tot een besparing van 60 tot 80 procent ten opzichte van het energieverbruik van 1975, maar gaandeweg leidde de produktie en de installatie van het besparingsmateriaal zelft tot zoveel energie-en grondstoffenverbruik dat het netto-rendement vandaag nog maar een schamel restje van destijds is.

Een ander verschijnsel is het zogenoemde rebound-effect: wat een rationalisatie lijkt, leidt tot het tegendeel. De zogenaamde hyper-car van 2020 rijdt 2,7 liter op 100 km, maar de consument zal er dus vier van kopen, want het ding rijdt zo goedkoop. De spaarlamp leidt inmiddels tot tuinverlichting, boomverlichting, dakverlichting en weilandverlichting, en Philips wil dat ook zo. Het wassen met lagere temperaturen leidt tot vaker wassen.

Economische groei bestaat uit het zo snel mogelijk omzetten van grondstoffen, via een zo kort mogelijke consumptiefase, in afval. Hoe langer de consument met een produkt doet, dat wil zeggen spaarzaamheid betracht, des te beroerder gaat het de economie. Ook de afval- en milieuschoonmaakfasen tellen in dit BNP als groei en vooruitgang. De afvalindustrie is in Duitsland met zo'n 700.000 arbeidsplaatsen inderdaad de grootste werkgever geworden - maar bizar is het, alweer, wel. Want afvalverwerking zou een kostenpost moeten zijn, zoals de Cemsto in ieder bedrijf en ieder huishouden een kostenpost is. Veel afval betekent dat er aan de beginkant veel grondstoffen zijn gebruikt en dat er weinig werd gespaard of behouden.

Als de milieuproduktiesector (schoonmaak, zuivering, afval) volgens A.D. Little inderdaad een gigantische toekomst heeft, dan betekent dat dus per definitie dat vervuiling, exploitatie en uitputting aan het begin van de reeks ook gigantisch moeten zijn. Dat gedeelte dat de grondstoffen terugwint voor hergebruik verdient enig voordeel van de twijfel, want in dat geval wordt de voorraad weer aangevuld.

Helaas is ook hier de fysica een onneembare veste: zowel de verminderde meeropbrengst, de per definitie toenemende energie-inhoud van winning en recycling en de onvermijdelijke CO-uitstoot blijken een onverbiddelijke slagboom op deze route. De milieubeweging, die in 1994 samen met CNV en FNV, een voorstel heeft gedaan voor een econologische structuurnota, zit er dan ook naast met het kernbegrip uit hun plan tot 'versterking van de milieuproduktiesector': Veel produktie van afvalwaterzuiveraars, van kurken op de schoorstenen, van (veel) schoneren auto's en van mestopruimingssystemen. Econologie, here we come! Na tien jaar heeft deze sector het hele land van top tot teen gereinigd en moet hij zichzelf opheffen. En wat dan? Een volgend Schiphol? Een derde snelwegennet? Een vierde Randstad? Een vijfde kerncentrale? Een zesde varkensstapel?

Milieubehoud verdraagt zich op geen enkele manier met de voortgaaande exploitatie van het milieu. Aan alles komt een eind. De ruimte in Nederland is op, behalve voor diegenen die er geen bezwaar in zien om de volksgezondheid op te offeren aan de continue verstedelijking waarin voor stille, schone lucht, landschap en duisternis (!) geen plaats meer is.

Het milieu in Nederland stelt al niets meer voor. Natuur is er, behalve op de Waddenzee, niet, en de soortendiversiteit van plant en dier neemt nog altijd verder af, alle praatjes over te veel aalscholvers ten spijt. Hoewel de Wereldgezondheidssorganisatie recentelijk meende dat er geen verband zou bestaan tussen milieuvervuiling en gezondheid, wijzen andere publikaties op het tegendeel. Vrijwel alle zogenaamde immuunziektes nemen spectaculair toe, en van 29 kankersoorten zijn er 27 sterk in opmars. Van de ongeveer 100.000 chemicaliën die er op de markt zijn is voor zo'n 79 procent (volgens de US-Environmental Protection Agency) de toxiciteit onbekend.

De drijvende kracht achter deze destructieve processen is de obsessionele behoefte om, zo snel mogelijk gronstoffen, milieu en landschap, met behulp van zo goedkoop mogelijke energie, om te zetten in afval. Het proces wordt 'groei' of 'vooruitgang' genoemd, maar de gangbare indicator hiervoor, het BNP, meet de verkeerde variabelen, zodat de wereld koerst op een barometer die zonnig weer aanduidt, terwijl het buiten hagelt.

Wie de economie wil verzoenen met het milieu zal daarom iets heel anders moeten verzinnen. In de duurzame economie staat niet de produktie voorop, maar het besparen. Het succes van de duurzaamheid wordt gemeten aan precies het omgekeerde van wat nu als vooruitgang telt: zo weinig mogelijk consumptie, transport, mobiliteit, energieverbruik en afvalproduktie. De drastische consequenties hiervan worden onder meer beschreven in rapporten als 'Nederland Duurzaam', waarin door Milieudefensie rond het begrip milieugebruiksruimte de consumptiebeperking per inwoner is doorgerekend.

Niet realistisch? Is het dan wel realistisch dat de wereld denkt te “groeien”, terwijl dat zeker al vijftien jaar niet meer het geval is? Men wil 10 miljard mensen voeden, maar laat 350 miljoen ton vruchtbare grond per jaar wegstromen, wegwaaien en wegasfalteren, om nog een voorbeeld te noemen.

De econologie moet dit alles veranderen, zonder dat men tot de essentialia van het conflict wenst door te dringen. In een massale struisvogelpolitiek probeert de wereldeconomie zich met behulp van allerlei mantra's in slaap te wiegen: globalisering, concurrentie, groei, vooruitgang, het daast ons iedere dag om de oren. De keizer van dit alles loop bloot door de straten. De econoloog loog toen hij het publiek hermelijnen mantels, een rood habijt en een gouden kroon beloofde.