De s van luxaflex

Hij zoemt als een mediterende Zenmonnik: Bruno, vier jaar, bruine ogen, donker golvend haar en oren van het formaat waarmee je goed kunt horen.

Nog niet aangetast door de haast van het moderne leven, beweegt hij zich als in een droom. Hij heeft tijd. Toekomst of verleden bestaan nog niet voor hem. Meer dan de andere kleuters herinnert hij aan het geheim van vóór de geboorte. Door de horde luidruchtige kinderen die - sneller dan hij - de schooltrap beklimmen, laat hij zich niet van de wijs brengen. Zijn zware zoem, vol boventonen, draagt verder dan hun gegil en gekrijs. Hij is een rustig kind dat weinig praat. Vechten doet hij nooit, gillen evenmin. Hij zoemt. Alleen veelvuldige huilbuien maken duidelijk dat hem iets dwars zit. Matjes vlechten interesseert hem niet. Maar als zijn juf hem vraagt welke kleurstrookjes hij hebben wil, licht zijn gezichtje op: “Oranje, lichtgroen, violet.” De strookjes zelf liggen al gauw vergeten onder zijn tafeltje. Zijn kleurplaten zijn van onder tot boven bekrast. Wanneer de juf hem uitlegt dat hij bij het kleuren naar zijn hand moet kijken in plaats van naar de visjes op de vensterbank, vult hij netjes een kleurvakje in. Dan vertrekt zijn blik weer naar elders; zijn hand zet af en toe plichtmatig een kras.

Meestal speelt hij in zijn eentje. Als hij moe is, ligt hij languit op het kleed naast de houten garage. Wanneer hij in zichzelf gekeerd is, hoort hij zijn naam niet roepen. Zijn juf moet hem aanraken en afwachten of hij zich uit zijn eigen wereld wil losmaken. Ze maakt zich zorgen. Ook Bruno's ouders maken zich zorgen. Moet hij niet naar een kinderpsycholoog?

De juf zit met de oudsten, die al zes zijn, in een kring. Ze laat een lange sis-klank horen en vraagt wie er een woordje met een ssssss weet.

“Luxaflex”, klinkt prompt vanachter de garage Bruno's stem. Hij komt uit zijn liggende houding overeind, loopt de kring binnen en gaat vlak voor zijn juf staan. “En Cecilia”, roept hij uitbundig. “Boom”, zegt een van de oudere kinderen. “,N, n, n, NEE, n, n”, roept Bruno stotterend. “NEE, NEE.

” Hij schreeuwt zich een spreekruimte bij elkaar. Pas nadat hij iedereen stilgebruld heeft en zeker is van zijn gehoor, schalt zijn stem met verdubbelde energie: “Niet boom, boomSTAM. En Blussen, sissen, gymnastiekschoenen, kletsen, lieveheersbeestje.” Hij is niet meer te houden. In één adem noemt hij meer dan tien woorden met een s. De oudere kinderen komen niet meer aan bod. “En nu woorden met een rrrr”, schalt hij. Bruno, trappen, over, waterval, rommel, rotzooi, abacadabra...”

“Prachtig”, onderbreekt de juf zijn stortvloed. “En wat zeg ik nu?” Ze noemt drie losse klanken: r, aa, m.

“R, aa, m”, antwoordt hij met precies dezelfde intonatie.

“Ja”, lacht zij. “En welk woord is dat?”

“Raam en maar”, zegt Bruno. De juf schrijft een r op het bord. “Rrr”, zegt Bruno. En oudere kinderen beginnen te klappen, de jongsten doen mee. Bruno kan lezen! “Vis, boot, pen.” Hij straalt van al die plotselinge aandacht waarvan hij alleen begrijpt dat die met woorden en het bord te maken heeft. Uit zichzelf pakt hij het krijtje om maadelievjeu te schrijven.

's Middags op het plein, als de juffrouw op haar hurken zit om veters te strikken, voelt ze hoe een van de kinderen zich in zijn volle lengte als een deken over haar gebogen rug vleit. Bruno, die volkomen ontspannen blijft liggen.