Controverse over plan voor beperking flexibilisering van de arbeidsmarkt; Verzet VVD en D66 tegen Melkert

DEN HAAG, 4 DEC. De voorstellen van minister Melkert (sociale zaken) om de flexibilisering op de arbeidsmarkt aan banden te leggen stuitten afgelopen vrijdag in de Ministerraad op verzet van VVD en D66. Met name de ministers Zalm (financiën) en Wijers (economische zaken) bemoeiden zich persoonlijk intensief met de plannen van Melkert.

Wekenlang is er tijdens plenaire vergaderingen van de Ministerraad en in kleiner verband in de zeshoek van sociaal-economische en financiële ministers overlegd over de concept-nota Flexibilisering en zekerheid van Melkert. De meeste voorstellen van Sociale Zaken hebben het niet gehaald. Omdat minister Melkert voor de behandeling van zijn begroting, dinsdag, toch met een nota naar buiten wilde komen is de discussie op de lange baan geschoven. Eerst moeten sociale partners en het uitzendwezen adviseren over een aantal belangrijke voorstellen. De ministers Zalm en Wijers gaan ervan uit dat zij “via de band” alsnog hun gelijk zullen halen.

De adviesaanvrage aan de Stichting van de Arbeid betreft onder andere de wijziging van de proeftijdregeling. Deze kan volgens het kabinet in bepaalde gevallen “te knellend” zijn. Het kabnet denkt aan twee mogelijke oplossingen. Aan CAO-partijen wordt de mogelijkheid geboden de maximale duur van de proeftijd te verlengen van 2 tot 6 maanden, of er komt een wettelijke maximering van de proeftijd tot 6 maanden. Bij CAO mag dan een kortere periode worden afgesproken.

Ook de loondoorbetalingsplicht zal worden herzien. Op dit moment bedraagt de maximale uitzendtermijn 6 maanden. In de praktijk wordt een jaar getolereerd. Als er op een gegeven moment geen werk meer is voor uitzendkrachten, dan krijgen ze geen inkomen, of ze vallen terug op de sociale zekerheid. Het kabinet wil de termijn van afwenteling van dit risico op de werknemer, respectievelijk de sociale zekerheid, beperken. Bovendien overweegt het kabinet diverse voorstellen om meer ruimte te bieden voor verlenging van kortdurende tijdelijke contracten. Wanneer een “ketting” van tijdelijke contracten langer is dan 24 maanden, of wanneer hij uit meer dan 3 schakels (contracten) bestaat, wordt hij geacht een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te zijn.

De maximum uitzendtermijnen (nu een half jaar) kunnen volgens het kabinet worden afgeschaft. Het verbod op uitzendarbeid in de bouwnijverheid moet uiterlijk 1 januari 1998 verdwenen zijn. Uitzendkrachten zullen een overeenkomstig loon verdienen als de vergelijkbare werknemers in dienst van de inlener, tenzij een CAO anders bepaalt.

Conflict was er afgelopen vrijdag over de passage in het voorstel van Melkert waarin werd gesteld dat het kabinet overweegt de overeenkomst tussen uitzendkracht en uitzendbureau “vanaf het begin van de uitzending aan te merken als een arbeidsovereenkomst”. Deze passage werd afgezwakt en in vragende vorm aan de sociale partners en werkgevers en werknemers in het uitzendwezen voorgelegd.

Wel overeenstemming is er over de opzegtermijnen. Voor werknemers met een dienstverband van nul tot vijf jaar gaat een opzegtermijn van een maand gelden. Voor werknemers met een dienstverband van 5 tot 10 jaar geldt een opzegtermijn van 2 maanden, voor dienstverbanden van 10 tot 15 jaren een opzegtermijn van 3 maanden en daarboven van 4 maanden. Ook wordt de totale ontslagtermijn wat verkort. Hiermee wordt ontslag mogelijk van werknemers die tijdens de behandeling van de ontslagaanvrage ziek worden.

Voor oproepkrachten wordt in navolging van Duitsland en België een minimum duur per oproep van 3 uur wettelijk vastgelegd. Verder wil het kabinet een opbouwpensioen voor flexibele arbeidskrachten realiseren, na advies van de Stichting van de arbeid.

De voorstellen die de uitzendbranche in de vertrouwelijke nota uitzendarbeid nu en in de toekomst aan de vakbonden doet, voorziet in een aantal voornemens van het kabinet. De uitzendbranche doet de vakbonden onder meer de volgende voorstellen. Zolang de arbeidsverhouding nog niet twee maanden heeft geduurd, kan zij zowel door de uitzendkracht als door het uitzendbureau op ieder moment naar eigen keuze zonder inachtneming van enige termijn, hoe kort ook, worden beëindigd. Zodra een uit zendkracht door tussenkomst van hetzelfde uitzendbureau binnen een tijdvak van een jaar tenminste 195 werkdagen daadwerkelijk bij een en dezelfde opdrachtgever heeft gewerkt, of binnen een tijdvak van twee jaar tenminste 390 werkdagen bij meerdere opdrachtgevers, dan ontstaat tussen het uitzendbureau en de uitzendkracht een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van drie maanden. Deze overeenkomst wordt telkens met dezelfde duur verlengd. Melkert stelt in zijn nota Flexibilisering en zekerheid voor om een contract voor bepaalde tijd slechts driemaal te verlengen. In Denemarken kan dit bijvoorbeeld een onbeperkt aantal keren.

Een contract voor bepaalde tijd geeft uitzendkrachten meer rechten. Als het werk bijvoorbeeld vervalt is het uitzendbureau verplicht aansluitende passende werkzaamheden voor hem of haar te zoeken. Lukt dat niet, dan moet loon worden doorbetaald.

Aanspraak op loon bestaat gedurende een vaste - gegarandeerde - periode. Die periode bedraagt aanvankelijk 3 maanden, maar wordt langer naarmate de uitzendkracht langer in dienst van het uitzendbureau werkzaam is, tot een maximum van 6 maanden, te bereiken na vier jaar. In de CAO voor intermediaire dienstverlening zal een pensioen- en nabestaandenvoorziening nbiet langer kunnen ontbreken, menen de uitzendbureau's. Uitzendkrachten die binnen een tijdvak van 24 maanden tenminste 390 werkdagen daadwerkelijk bij een of meer opdrachtgevers hebben gewerkt, wordt met ingang van de 25e maand een pensioen- en nabestaandenvoorziening aangeboden. De pensioenvoorziening bestaat uit een oudedags-, een nabestaanden- en een arbeidsongeschiktheidscomponent. Deelname aan een of meer van deze componenten is vrijwillig. De uitzendkracht zelf is de verzekeringsnemer. De opgebouwde pensioenrechten staan op zijn naam. De premie bedraagt 3 procent van het bruto-jaarsalaris. Het uitzendbureau draagt de helft van de pensioenpremie bij, de andere helft wordt op het salaris van de uitzendkracht ingehouden. De uitzendkracht kan in overleg met de verzekeraar extra sparen door meer premie af te dragen.

De uitzendbureau's hebben zich ook bereid verklaard om mee te betalen aan zogeheten bedrijfstakeigen regelingen, zoals opleidings- en ontwikkelingsfondsen, VUT-fondsen, collectieve verzekeringsfondsen (aanvullende WAO-verzekering, ongevallenverzekering) en fondsen voor kinderopvang.