Borst moet bloedbank behoeden voor commerciële blunder

De Wet op Bloedtransfusie, die dateert uit 1988, regelt onder meer de bloedafname bij donors, de verstrekking van het bloed aan ziekenhuizen, de produktie van bloedprodukten en de produktie van geneesmiddelen uit bloedplasma (plasmaprodukten). De wet is gebaseerd op ideële uitgangspunten, namelijk dat de donor zijn of haar bloed om-niet afstaat en dat de handel, met winstoogmerk, in menselijk bloed uitgesloten is.

Op grond van een besluit van de Europese Gemeenschap heeft minister Borst bij het parlement een voorstel tot wijziging van de Wet op de Bloedtransfusie ingediend. De bedoeling van de wijziging is tweeledig: enerzijds gaat het om het waarborgen van de kwaliteit, veiligheid en doeltreffendheid van plasmaprodukten, anderzijds om het mogelijk maken van handelsverkeer binnen de Europese Gemeenschap in plasmaprodukten.

Het is verbazingwekkend dat de minister in de toelichting op de wetswijziging nauwelijks rept over de mogelijke gevolgen van de wijziging voor het ideële karakter van de bloedinzameling. Willen donoren hun bloed nog wel om-niet afstaan als de mogelijkheid bestaat dat er winst gemaakt wordt met uit hun bloed bereide geneesmiddelen? Het is dan nog maar een kleine stap naar het verhandelen van het bloed zelf.

De weg daartoe zal helemaal worden vrijgemaakt als de minister het avies opvolgt, dat ze heeft ingewonnen bij de Tilburgse econoom prof.dr. L. Koopmans. Hij adviseert om de plasmaleveranciers, dat zijn de bloedbanken, te laten fuseren met de producent van plasmaprodukten, dat is het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusie. Hierdoor komt de vrijwillige donatie en de verstrekking van bloed aan de ziekenhuizen (thans tegen kostprijs) onder één dak met de producent van plasmaprodukten, die straks binnen de Europese Gemeenschap verhandelbaar zijn. Dit is misschien een economisch aantrekkelijke constructie, maar gaat volledig voobij aan de ideële uitgangspunten en het huidige maatschappelijke draagvlak van bloeddonatie.

Op dit moment staan in ons land jaarlijks honderdduizenden donors bloed om-niet af. Het is maar de vraag of deze bereidheid, de basis voor de ideële wijze van bloedinzameling en -distributie, blijft bestaan bij een verdergaande commercialisering.

Het organiseren van de bloedtransfusie in een structuur, waarin economische belangen niet duidelijk worden gescheiden van ideële principes, kan ertoe leiden dat de ideële waarden geruisloos aan de economische belangen worden opgeofferd.

In andere delen van de gezondheidszorg doet zich vergelijkbare problematiek voor. Een voorbeeld is het gebruik van lichaamsmateriaal. De Gezondheidsraad concludeerde onlangs, dat de beschikbaarstelling van lichaamsmateriaal aan de industrie slechts mag geschieden tegen vergoeding van de gemaakte kosten en niet tegen handelswaarde. Dit om ethisch onaanvaardbare situaties te voorkomen. Als zwaarwegend argument hanteert de Gezondheidsraad hierbij, dat het vertrouwen van de patiënt in de behandelaars en in de ziekenhuizen niet mag worden geschaad door al dan niet vermeende financiële belangen die kunnen voortvloeien uit het (her)gebruik van lichaamsmateriaal.

Een tweede voorbeeld is de orgaan- en weefseltransplantatie. Onlangs heeft prof.mr. H. Roscam Abbing in een rapport aan de Europese autoriteiten aanbevelingen gedaan hoe de handel in organen en weefsel kan worden beperkt. Wat onacceptabel is bij gebruik van lichaamsmateriaal en bij de handel in organen en weefsels is ook onacceptabel bij de gang van zaken rondom bloedtransfusie.

Het uitgangspunt van non-commercie in relatie tot bloed is overigens ook neergelegd in het ontwerpverdrag Bio-ethiek van de Raad van Europa.

In de huidige structuur zijn de bloedbanken stichtingen, waarvan de financiën goed controleerbaar zijn. In de door Koopmans voorgestelde organisatie vinden meer soorten bedrijfsactiviteiten plaats, waardoor de financiële overzichtelijkheid kan verdwijnen en geld van de ene bedrijfsactiviteit naar de andere kan worden overgeheveld. Bij de donor zal daardoor de indruk kunnen ontstaan dat het door hem om-niet afgestane bloed onderwerp wordt van handel en winstbejag.

De bloedbank moet herkenbaar zijn als niet-commerciële instelling, waarbij niemand er moeite mee zal hebben, dat de bereidingskosten aan de ziekenhuizen die het bloed afnemen, worden doorberekend.

Terwille van de kwaliteit kan het niet anders dan dat de plasmaprodukten bereid worden volgens grootschalige industriële processen. Omdat dit een aanzienlijk bedrijfsrisico met zich meebrengt, is een bescheiden financieel voordeel daarbij verdedigbaar.

Het onderbrengen van zowel bloedtransfusie als de bereiding van plasmaprodukten in één organisatie, die deels op commerciële basis opereert, gaat echter veel te ver. Er moet een scheiding blijven bestaan tussen enerzijds de non-profitorganisatie, waarin de donor vrijwillig bloed afstaat en het bloed aan de ziekenhuizen wordt verstrekt, en anderzijds het instituut dat commerciële technieken kan gebruiken voor de bereiding en levering van produkten uit bloedplasma.