Zakenleven sceptisch over verlaging tarief; China worstelt met status economische grootmacht

PEKING, 2 DEC. Het economisch zelfvertrouwen van China's politieke top lijkt gesterkt. Dat blijkt uit de opmerkelijke belofte, vorige week tijdens de APEC-conferentie in het Japanse Osaka, 's lands importtarieven drastisch te verlagen. Een dergelijke, op korte termijn schadelijke maatregel, kan het land in hun ogen blijkbaar aan. Of, zoals een buitenlandse diplomaat in Peking het verwoordt: “Het getuigt van een behoorlijke portie lef. Want het ligt niet voor de hand dat een Derde Wereld-land de bescherming van zijn eigen industrie opgeeft.”

Ruim een week na die belofte, is onder Chinese ondernemers echter een ogenschijnlijk verhitte discussie ontstaan over de wijze waarop zij kan worden waargemaakt. Niet dat daarover vrij wordt gediscussieerd, want een maatregel is een maatregel binnen China's rigide staatsapparaat, maar een aantal Chinese kranten lijkt een oprechte poging te doen een debat aan te zwengelen.

Tijdens het doorgaans weinig opwindende forum voor economische samenwerking in de regio rond de Stille Oceaan, half november in Osaka, was het China die op de één-na-laatste dag van de conferentie voor een verrassing zorgde. Jiang Zemin, de Chinese president, maakte bekend tweederde van China's importtarieven met 30 procent te zullen verlagen.

Belangrijker nog was het feit dat China besloot een dergelijke maatregel, de grootste handels-liberaliserende stap sinds het land zijn markten opende in 1979, aan te kondigen tijdens de APEC conferentie. Peking trachtte overduidelijk steun te krijgen van de Aziatische regio en de Verenigde Staten voor 's lands lang gekoesterde wens lid te worden van de Wereldhandelsorganisatie (WHO).

Het probleem op het moment is echter hoe Peking de maatregel, die volgend jaar van kracht zou worden, aan het thuisfront moet verkopen. Want hoewel de internationale gemeenschap en vooral de Verenigde Staten de tariefverlaging hebben omschreven als een 'belangrijke stap in de goede richting', blijkt in China verdeeldheid te bestaan over hoe dat dient te gebeuren.

De Chinese 'captains of industry' staan achter het overheidsbesluit, maar hebben hun twijfels. “Managers binnen de auto-industrie hebben gezegd te hopen dat hen geen donkere toekomst te wachten staat. Maar het zakenleven is sceptisch en gelooft dat alles mogelijk is”, zei een van hen onlangs in het Engelstalige Business Weekly.

Keer op keer lijkt in China hetzelfde conflict te spelen; het wil zo graag deel zijn van de politieke en vooral economische wereldgemeenschap, maar praktisch is het land er nog niet klaar voor. Minister Wu Yi, van economische zaken, zei het vorige maand nog tegen haar Amerikaanse ambtgenoot Ron Brown, op bezoek in Peking: “Mensen zijn geneigd het niveau van China's economische ontwikkeling te overschatten.” Met 'mensen' bedoelde ze dan vooral de VS, die de meeste bezwaren hebben tegen de door China gemaakte voorwaarden voor deelname aan de Wereldhandelsorganisatie.

Peking meent alleen toe te kunnen treden tot de organisatie als 'ontwikkelingsland', waarmee het onder 'verzachtende regelingen' zou komen te vallen. De VS, die een groot handelstekort met China hebben, zijn de voorkeursbehandeling die China keer op keer eist zat, en willen het land uitsluitend binnen de geledingen van de WHO op te nemen als volwaardig 'ontwikkelde' partner.

Het conflict ontwikkeld-ontwikkelingsland is niet nieuw. Drie jaar geleden publiceerden een voormalige Australische ambassadeur in China en een overzeese-Chinese econoom, een rapport in zij constateerden dat China zijn eigen economie zwaar onderschat: “Het bruto nationaal produkt per hoofd van de bevolking is drie keer zo hoog als het cijfer dat China officieel hanteert”.

Garnaut en Ma impliceerden daarmee dat China's economie feitelijk veel gezonder was dan het formeel opgaf en dat Peking daardoor minder recht zou behoren te hebben op zachte leningen, financiële concessies en andere vormen van verzachtende maatregelen die derde wereldlanden doorgaans ontvangen. China wees alle 'beschuldigingen' onmiddellijk van de hand. Maar de wereldgemeenschap was gewaarschuwd en vroeg zich af of het Chinese economische zelfbeeld nog wel geldig was.

Peking heeft het steeds terugkerende debat over de economische kracht vooral aan zichzelf te danken. Want wie anders brengt het verhaal over China's krachtige economische ontwikkeling zo eenzijdig in beeld?

Minister Wu heeft gelijk als zij zegt dat China's economische ontwikkeling wordt overschat, en feitelijk ís China nog in veel opzichten een Derde Wereld-land. Dat is niet moeilijk te zien wanneer de enthousiaste zakenman uit het Westen de binnenlanden van China zou aandoen, of eenvoudiger, een willekeurige zijstraat van Peking zou in slaan. Daar is de achterstand in economische ontwikkeling het duidelijkste zichtbaar en verdient de gemiddelde bewoner van één van de eindeloze bouwvallen een inkomen tussen de tweehonderd á driehonderd gulden per maand.

“De leiders van China willen zo vreselijk graag tot een internationale grootmacht gerekend worden”, aldus een buitenlandse waarnemer in Peking. “En om dat te bereiken, zijn ze tot veel bereid, zonder daarvan de consequenties te overzien.” Volgens een econoom van de Chinese Academie voor Sociale Wetenschappen is dat ook de reden waarom de Chinese partijtop onlangs een bijscholingscursus heeft gehad over 'de internationale economie'. “De Chinese partijleiding doet maar wat. Slechts enkelen begrijpen wat bepaalde maatregelen betekenen. Achteraf blijkt dus pas of het een 'moedige en succesvolle' beslissing is geweest of gewoon een 'erg domme' beslissing.”

Volgens de econoom, die niet met zijn naam in de krant wil, zijn China's leiders compleet afhankelijk van hun adviseurs, die op hun beurt geen initiatief durven te nemen. “Het hangt af van de stemming van de persoon in kwestie. Als hij zegt 'we moeten bij de WHO' dan zullen zijn adviseurs daaraan werken, zonder hem op de voor- en nadelen te wijzen”, aldus de econoom.

Of China nu wel of niet binnen afzienbare tijd lid wordt van de WHO is eigenlijk niet zo heel belangrijk. China beschikt al over de voor Peking belangrijkste rechten van een WHO-lidstaat, in de vorm van de door Washington verstrekte meest-begunstigd-land status (MFN), zonder dat daar harde verplichtingen tegenover staan.

Daarom is de aangekondigde tariefverlaging een zeer gunstige ontwikkeling - China ondervindt er immers geen voordeel van op de korte termijn - en wekt de manier waarop de Chinese autoriteiten met die beslissing omgaan vertrouwen. Zo heeft het ministerie van economische zaken in Peking aangekondigd in ruil voor de tariefverlaging de positieve discriminatie van buitenlandse ondernemingen op te heffen. Nieuwe ondernemers uit het buitenland kunnen in de toekomst niet meer gebruik maken van de belastingvrije import op nieuwe fabrieksmachinerieën. Een belangrijke maatregel die, als hij doorgaat, aangeeft dat de Chinese autoriteiten er van uitgaan dat buitenlandse investeerders toch wel komen en niet langer gelokt hoeven te worden met behulp van voorkeursmaatregelen.

Voorts blijkt uit de nieuwe tariefpolitiek dat Peking gelooft in de sanering van zijn economie en belangrijker nog, dat het wat mag kosten. “Het oude tariefsysteem heeft de Chinese zakenman lui gemaakt”, schreef de Chinese krant Economic Daily begin deze week. “Willen wij deel uit maken van de economische wereldgemeenschap dan zullen zij [de Chinese zakenlieden] het zonder de bescherming van de staat moeten stellen. Daarmee zal de economische groei versneld worden. Dat het niet voor iedereen goed uitpakt is onvermijdelijk. We kunnen niet stoppen met eten, omdat we bang zijn ons te verslikken.”