Wetenschap met stereotiep tintje

Men zegt: denken in stereotypen mag niet. Hoewel je vindt dat sommige rooms-katholieke geestelijken verwerpelijke ideeën hebben, mag je, zolang je ze niet allemaal hebt gesproken, niet denken dat alle RK-geestelijken die ideeën aanhangen, laat staan dat je mag zeggen dat het christendom niet deugt. Hoewel in de drugshandel naar verhouding veel Marokkanen zijn te vinden, mag je niet zeggen dat de Marokkanen crimineel zijn. Kortom: je mag niet op basis van sommige individuen uit een groep dóór-redeneren naar alle individuen uit die groep, en je mag al helemaal niet vervolgens terug-redeneren naar een afzonderlijk individu: dat is een Marokkaan, dus die zal ook wel...

Toch redeneren we wel vaak langs die lijnen, doordat ons denken nu eenmaal denkt in stereotypen. Waarschijnlijk omdat dat efficiënt is en soms ook goed voor het lijfsbehoud. Een winkelier die al verschillende keren is beroofd, zegt in het Parool: “Ik vertrouw geen enkele vreemde meer”. Mag hij in zijn situatie niet in stereotypen denken? Hij heeft hooguit een paar seconden om te taxeren, te klassificeren en adequaat te reageren: vriendelijk of met een druk op de alarmknop. Alleen wie de tijd heeft, een uurtje met iemand kan praten of vanuit een stoel de wereld kan beschouwen, heeft de luxe en daarom ook de plicht om niet in stereotypen te denken.

Ook als het gaat om sociaal-wetenschappelijk onderzoek is het een belangrijke vraag, wanneer je nu wel en wanneer je niet iets wat je bij sommige individuen van een groep hebt gevonden mag generaliseren naar alle individuen. En het wordt al helemaal moeilijk als je, op grond van hetgeen je gevonden hebt, voorspellingen wilt doen voor afzonderlijke individuen. Hier doet zich namelijk het statistisch probleem voor dat je voor een bepaalde groep nog wel kunt vaststellen hoeveel, maar niet welke individuen de kans lopen tot een bepaalde categorie te gaan behoren.

Over een voorbeeld daarvan heb ik enige tijd geleden in deze krant geschreven. Het betrof de vraag of het op basis van sociaal-wetenschappelijk onderzoek mogelijk is mensen met bepaalde eigenschappen het rijbewijs te ontzeggen. Je kunt daarbij twee typen onderzoek onderscheiden. In het ene wordt gekeken of er zich in de groep mensen die betrokken is bij een ongeval significant veel mensen bevinden met een bepaalde eigenschap, zoals agressiviteit, fanatisme en geldingsdrang. Je kunt ook uit een willekeurige groep mensen via tests opsporen wie deze eigenschappen in bijzondere mate bezitten en vervolgens kijken of zij vaker dan de anderen uit de groep betrokken zijn bij een ongeval. Stel nu dat je in beide soorten onderzoek inderdaad een verband vindt, mag je dan als samenleving voor de zekerheid alle agressieve, fanatieke en door gelding gedreven individuen van rijbevoegdheid uitsluiten? Daarmee zou je wel velen treffen die nooit en te nimmer een verkeersongeval zullen veroorzaken, hoe agressief ze ook zijn. Dat komt doordat er nu eenmaal veel meer agressieve, fanatieke en op gelding beluste mensen zijn dan mensen die bij verkeersongelukken zijn betrokken. Bovendien zijn er ook slome mensen die ongevallen veroorzaken.

De redenering in mijn column was voor psychiater Korzec, psycholoog Hendrikx en kinderarts Warmink, zoals zij schreven, “mee aanleiding om het een en ander uit te zoeken”. Dezer dagen kreeg ik het artikel in het Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde toegestuurd, waarin zij verslag doen van hun bevindingen. Deze betreffen geen persoonlijkheidseigenschappen, maar het verband tussen alcoholgebruik en verkeersrisico.

In een helder betoog wordt door de auteurs de vraagstelling in drieën onderverdeeld. Of het oordeelsvermogen en het gedrag van een individu door alcoholgebruik worden beïnvloed, is een diagnostische vraag die aan medici gesteld moet worden en zij kunnen die ook beantwoorden. Of zich onder de groep individuen die bij verkeersongevallen zijn betrokken significant veel mensen met een hoog alcoholgebruik bevinden, is een vraag die de empirische wetenschap kan beantwoorden, en het antwoord zal “ja” zijn. Maar dan komt pas de cruciale vraag, die buiten het wetenschappelijk domein valt, maar aan de politiek moeten worden gesteld: moeten we mensen die veel drinken beletten te rijden? De empirische wetenschap kan en mag die vraag niet beantwoorden, omdat zij zich slechts met kansen binnen een groep kan bezighouden en geen voorspellingen kan doen over een individu. Zoals de auteurs het verwoorden: “De overgrote meerderheid van de dronken automobilisten komt zonder politiecontrole en zonder kleerscheuren thuis.”

Nu zou ik er geen probleem mee hebben als mensen die dronken achter het stuur hebben gezeten - al dan niet met een ongeval als gevolg - voor enige tijd hun rijbewijs zouden kwijtraken, maar dat is, om het in jaren-zeventig-jargon te zeggen, inderdaad een politieke keuze, waarbij ik me niet mag beroepen op de wetenschap.

Wanneer dit soms toch gebeurt, komt dat doordat sociaal-wetenschappelijk onderzoek sinds ongeveer twee decennia geacht wordt maatschappelijk relevant te zijn en dienstbaar moet wezen aan preventie van maatschappelijke problemen. Als zij niet aan die eis voldoet, wordt de benodigde subsidie niet verstrekt. Onderzoeksresultaten moeten de weg wijzen voor maatregelen. Daardoor worden onderzoekers verleid de kansberekeningen op groepsniveau te verlaten en zich te begeven op de weg van de individuele voorspelling. Ook een vorm van stereotiep denken, alleen dan met een wetenschappelijk tintje.