Voorstel op symposium; 'Beëindiging leven van baby's zaak van artsen'

ROTTERDAM, 2 DEC. Artsen moeten zelf kunnen toetsen of zij geoorloofd handelen bij de levensbeëindiging van pasgeborenen. Een commissie van medisch deskundigen en ethici zou daarover uitsluitsel kunnen geven.

Pas indien er sprake zou zijn geweest van onzorgvuldig handelen dient de rechter er aan te pas te komen. Kinderartsen hebben dat gisteren in Utrecht voorgesteld op het symposium 'Op de grens van leven en dood'. Op de bijeenkomst wisselden medici, ethici, officieren van justitie, juristen, verpleegkundigen en een vertegenwoordiger van het ministerie van VWS met elkaar van gedachten over levensbeëindiging bij pasgeborenen. Zowel artsen als juristen vinden het onwenselijk dat de toetsing van hun handelwijze nu in het strafrecht plaatsheeft.

Minister Sorgdrager (justitie) wil dat de Hoge Raad een oordeel velt over het handelen van twee artsen die het leven beëindigden van twee ernstig gehandicapte pasgeborenen. In beide gevallen is er volgens het openbaar ministerie sprake van moord. De minister wil zo tot regels komen voor het levensbeëindigend handelen bij 'wilsonbekwamen'.

H.A.A. Brouwers, kinderarts en neonatoloog in het Utrechtse Wilhelmina Kinderziekenhuis, toonde zich een uitgesproken tegenstander van het op deze wijze verkrijgen van jurisprudentie over de levensbeëindiging van wilsonbekwamen. “De primaire invalshoek blijft dat er sprake is van moord, totdat het tegendeel is bewezen. Dat is een uiterst belastende weg. Niet alleen voor de artsen, maar ook voor de ouders van de pasgeborenen die een beslissing hebben moeten nemen die zij de rest van hun leven met zich mee zullen dragen”, aldus de Utrechtse kinderarts.

Brouwers meent dat de beschuldiging van moord - ook al volgt er geen strafoplegging - artsen ervan weerhoudt om gevallen van actieve levensbeëindiging aan te melden bij justitie. “Justitie wil proefprocessen voeren, maar de artsen zullen geneigd zijn dergelijke zaken niet te melden zolang de minister niet besluit de levensbeëindiging uit het strafrecht te halen.” Evenals zijn collega-kinderartsen, die deelnamen aan het symposium, pleit Brouwers voor de invoering van toetsingscommissies waarin onder meer artsen, ethici en juristen zitting zouden moeten hebben.

“Wij vinden het een goede zaak als de direct betrokkenen op basis van eenduidige normen gecontroleerd worden door niet-rechtstreeks betrokkenen”, aldus Brouwers. Hij haakt daarmee in op een voorstel van mr E. Sutorius. Deze in euthanasie-rechtspraak gespecialiseerde advocaat stelde onlangs voor districtscommissies op te richten, die artsen kunnen raadplegen als ze het leven van een baby willen gaan beëindigen.

In een poging “de vicieuze cirkel te doorbreken” gaf Brouwers op het symposium openheid van zaken over de levensbeëindiging van pasgeborenen in het Wilhelmina Kinderziekenhuis. In de afgelopen vijf jaar overleden daar op de intensive care van de afdeling neonatologie 303 kinderen, van wie er 243 op het moment van overlijden aan de beademing lagen. Van die laatste groep verkeerde driekwart in een zodanig medisch uitzichtloze situatie dat ze ook zonder ingrijpen zouden zijn gestorven. Bij de overige 63 pasgeborenen werd de beademing gestaakt omdat er sprake was van een zeer ernstige, meervoudige handicap.

Van de zestig baby's die geen beademing meer kregen, verkeerden er 35 in een medisch uitzichtloze situatie en wachtten de arsten het spontane overlijden af. Negentien ernstig gehandicapte pasgeborenen overleden spontaan, nadat de behandelende artsen de beslissing hadden genomen hen niet opnieuw te gaan beademen. Van zes meervoudig gehandicapte baby's wachtten de artsen het overlijden niet af. Ze gingen over tot actieve levensbeëindiging, hetgeen ze meldden bij de Utrechtse officier van justitie. Alleen deze zes gevallen komen volgens Brouwers overeen met de zakan waarover nu proefprocessen plaatshebben.

Hij schat dat actieve levensbeëindiging van pasgeborenen in Nederland ongeveer twintig keer per jaar voorkomt. “Dat aantal stijgt, omdat we technisch in staat zijn om steeds jongere kinderen in leven te houden”, aldus de Utrechtse kinderarts. Hij pleit voor maximale openbaarheid. “Maar dat zal niet gebeuren zolang we nog beticht worden van moord.”