Topambtenaar Onderwijs stapt over naar universiteiten

ZOETERMEER, 2 DEC. De hoogste ambtenaar van Onderwijs die voorzitter wordt van de belangenvereniging van de universiteiten. Wat vindt de minister daar eigenlijk van? “Heel slim van de VSNU, was de reactie van Ritzen”, herinnert M.H. Meijerink (52) zich. Gisteren was hij secretaris-generaal van het ministerie OC&W en voorzitter van het college van alle secretarissen-generaal. Nu is hij voorzitter van de VSNU.

Op zijn laatste echte werkdag in Zoetermeer zegt Meijerink dat hij weinig bijzonders ziet in zijn overstap. “Ik werd gevraagd door de VSNU. En ik was net toe aan wat anders. Maar natuurlijk, Ritzen schoot ook wel door het hoofd dat dit veel betere kansen biedt om samen op te trekken.” En dat vindt Meijerink zelf ook. Betere samenwerking is goed. “Ik weet hoe het hier werkt. Dus heb ik bij de VSNU een voorsprong om samen te werken met het ministerie. Om meer dezelfde kant op te werken.” In salaris gaat Meijerink er iets op vooruit “maar ik lever wel de auto met chauffeur in. En deze grote kamer.”

Het is een turbulent jaar geweest met studentenacties en grote bezuinigingen. Is die verwachte samenwerking niet juist erg omstreden?

“Ik zie toch ook een paar lichtpunten. Vroeger werd alles beheerst door geldgebrek. Omdat er weer een probleem was in het kabinet werden ad hoc nieuwe bezuinigingen op het onderwijs losgelaten. Met als resultaat voortdurende onrust, voortdurend gedoe. Het mooie van dit kabinet is dat dat systeem ten principale over is. Aan het begin van de periode worden harde afspraken gemaakt, en vervolgens zijn er geen onverwachte tussentijdse rondes. En dat werkt goed samen.”

Maar de prijs van die rust is voor de universiteiten toch vrij hoog. Want alleen het hoger onderwijs moet bezuinigen.

“Die prijs is hoog en de invulling gaf veel gehannes. Maar objectief gezien gaat Ritzen er handig mee om door de bezuinigingen toch wat te spreiden in de tijd. De universiteiten moeten nu 200 miljoen gulden bezuinigen vanaf 2004. Maar op zo'n lange termijn krijg je later toch weer aanpassingen. Want volgend jaar denken we er weer anders over. Los daarvan: voor de prioriteiten van het kabinet heb ik wel begrip. De nood in het basis-, beroeps- en voortgezet onderwijs is nu groter dan in het hoger onderwijs. Dus die sectoren worden terecht ontzien.

“Maar er is ook een andere ontwikkeling aan de gang. De tegenkracht is dat de markt, de particuliere sector, steeds meer een rol gaat spelen in het onderwijs. De overheid heeft het nakijken. Dat is geen betoog, dat is de werkelijkheid. Want de teneur dat de overheid zich terugtrekt is nog niet voorbij. De regering heeft volgens alle indicatoren, per student, als percentage van het bruto nationaal produkt enzovoorts, steeds minder geld voor het onderwijs beschikbaar. Dat gaat politiek en maatschappelijk zorgen geven.

Wat vindt U van die werkelijkheid: steeds hogere 'vrijwillige' ouderbijdragen, commerciële sponsoring van scholen, al maar stijgende collegegelden?

“De overheid moet de regie houden. Maar je moet er vooral niet te snel stelling in nemen, vind ik. Wat we nu ontoelaatbaar noemen, is binnenkort misschien wel heel erg toelaatbaar en zelfs gewenst. Dus ik wil me hoeden voor blokkades. Ik vind dat we in een veranderende samenleving voorzichtig moeten zijn met krachtige, blokkerende standpunten. Dat zijn korte-termijnstandpunten. Neem de universiteiten. Die zitten duidelijk in de spanning tussen overheid en markt. Dat is ongemakkelijk, maar niet onmogelijk. De vraag is: welke kant moet het op? Er zijn in de politiek altijd legio opvattingen over van alles en nog wat, maar we kunnen beter vooral voorzichtig zijn, om geen blokkades op te werpen.”

Maar die afwachtende houding van u betekent toch gewoon dat u de richting van die ontwikkelingen goed vindt?

“Eh, ja, als je dat maar niet zo interpreteert dat ik voor de geprivatiseerde universiteit ben. Dat is te snel. Je ziet dat de maatschappij zich ontworstelt aan de overheid, en dat moet je niet direct afkappen.”

Het onderwijsbeleid kenmerkt zich traditioneel door grootse plannen, waar uiteindelijk vaak niet veel van terecht komt. Wat vindt u na vijf jaar aan de top van het ministerie van de effectiviteit van het onderwijsbeleid?

“Er wordt wel degelijk wat bereikt, maar ik zal nu niet met u alle beleidsmaatregelen langs gaan om de plussen en minnen aan te wijzen. Het meest opmerkelijke is eigenlijk dat ondanks de moeilijke omstandigheden de kwaliteit overeind is gebleven. Wat we wel leren, is om de ambities te beperken. De les is dat de overheid alleen iets kan in samenwerking met anderen. Neem de universiteiten die voor ingrijpende veranderingen staan. Het belangrijkste kanaal voor verbeteringen is de universiteit zelf. Die ambitie moet je niet beperken, maar wel de ambitie om vanuit de politiek alles te willen regelen. De initiatieven komen toch wel. Maar we kunnen nooit van te voren bepalen welke kant het op zal gaan. De ambities moeten voortdurend worden bijgesteld. Wie veel plannen maakt, boet daarmee aan invloed in.”