Strafrecht van de lopende band

S. VAN RULLER en S. FABER: Afdoening van strafzaken in Nederland sinds 1813. Ontwikkelingen in wetgeving, beleid en praktijk

149 blz., VU Uitgeverij 1995, ƒ29,50

In 1984 lanceerde de procureur-generaal te Leeuwarden, Steenhuis, de term 'strafrechtelijk bedrijf' voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en alles wat daar aan instellingen mee verwant is. Zie het als een fabriek waar chocoladerepen worden vervaardigd, was zijn boodschap: daar doet men ook aan serieproduktie. Het was een belachelijke vergelijking, maar dat verhinderde niet dat de filosofie van het produktiebedrijf in de justitiële circuits is aangeslagen. Nu heeft zij dan toch haar langste tijd gehad, voorspellen de rechtshistorici Faber en Van Ruller van de Vrije Universiteit in Amsterdam in Afdoening van strafzaken in Nederland sinds 1813, een korte studie over historische trends in de strafrechtspleging: “Zoals het een echte mode betaamt zal hij een jaar of tien na de komst in de rechtspleging (1990), dus rond het jaar 2000, tot het verleden behoren.”

Zou het werkelijk? Gerekend vanaf Steenhuis zou de modegril al aan het wegebben moeten zijn en daar valt nog bitter weinig van te merken. De auteurs spreken zelf van de 'MacDonaldisering' van de Nederlandse strafrechtspleging: een proces van standaardisatie, kwantificatie, computerisering et cetera, dat geen recht meer kan doen aan individuele verscheidenheid. De strafrechtspleging als fast food-keten. Daar is geen chocolade van te maken.

De Amsterdamse auteurs hebben een goede reden voor hun voorspelling van het einde van de 'produktiebedrijffilosofie'. Daarin wordt de doelmatigheid van de strafrechtspleging gelijkgesteld met het bereiken van onmiddellijk zichtbare en meetbare doelen, zoals het onschadelijk maken van gevaarlijke personen of het doen herstellen van schade. Dit zijn belangrijke strafdoelen, maar het zou treurig zijn als het strafrecht het daar geheel van zou moeten hebben. Het loopt immers altijd op de (zware) criminaliteit achter, zo bleek onlangs nog weer eens duidelijk uit de verhoren van de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa. Als die één ding leren, dan is het wel hoe gevaarlijk het is er een wedstrijd van te maken.

Het strafrecht is méér dan de optelsom van 'produktiemiddelen'. Het oefent in de woorden van de Amsterdamse rechtshistorici ook “een minder direct te constateren maar niet onbelangrijke symboolwerking uit” en helpt zo mede vorm te geven aan noties over goed en kwaad, orde en wanorde, ziek en gezond in de samenleving. Van Ruller en Faber: “Het gaat er niet zozeer om elke misdadiger te pakken en ongevaarlijk te maken, maar om permanent symbolisch uit te stralen dat er grenzen zijn tussen gedrag dat wel en niet getolereerd kan worden en dat de overheid die grenzen bewaakt.”

De gedachte dat geen kwaad onbestraft mag blijven, is moeilijk uit te bannen. Nog onlangs gewaagde een officiële adviescommissie in schrille termen van een 'handhavingstekort'. Minister Sorgdrager van justitie toonde zich weinig gecharmeerd van dit advies. Het was taal naar het hart van haar verre voorganger Donker Curtius. Deze deed in 1849 een circulaire uitgaan die de straffeloosheid moest uitbannen. Opmerkelijk was vooral dat hij de burgerij actief wilde betrekken bij het verzamelen van inlichtingen over gepleegde misdaden. Wie deze achterhield verzaakte zijn burgerplicht. Klikken als burgerplicht, dat is andere koek dan de omstreden 'kliklijnen' vandaag de dag. Toch had Donker Curtius een verlichte bedoeling. Door de vergroting van de zekerheid van de straf zou de strengheid ervan kunnen verminderen. Dat paste in een sterke historische trend, die terug valt te voeren tot de Code Pénal die wij hebben overgehouden uit de Franse tijd. Dit wetboek voorzag in een grote behoefte en bleek moeilijk te vervangen, zodat het nog lang in de vorige eeuw heeft gegolden. Het was echter wel erg hard; 'draconisch' noemen de auteurs het zelfs. Al gauw ontwikkelde zich dan ook achter deze strenge gevel een geheel eigen en typisch Nederlandse werkelijkheid - in de woorden van de auteurs: “individualisering door middel van ruime gebruikmaking van alle vluchtwegen die de wet bood”.

Donker Curtius beoogde in 1849 met inschakeling van de burgers ook de rechtshandhaving goedkoop te houden. Dat laatste is in elk geval zo gebleven: “Justitie is niet duur”, zou minister Korthals Altes in de jaren tachtig van deze eeuw aan een kabinetsformatuur schrijven. De gedachte dat misdaadbestrijding niet alleen een staatstaak maar ook een burgerplicht dient te zijn, maakte in dezelfde periode zijn rentree in de baanbrekende rapporten van de commissie-Roethof over de zogeheten kleine (is: veelvoorkomende) criminaliteit. Het accent is nu wel verschoven van burgerwacht naar preventie en sociale controle. De burger wordt geacht zoveel mogelijk de gelegenheid tot misdaad weg te nemen. In elk geval behoren gedupeerden de consequenties van criminaliteit niet klakkeloos af te wentelen op de gemeenschap, zo voegde de commissie daar aan toe. Ze wees onder meer op het doorberekenen van winkeldiefstal in de prijzen. Dat ging zo ver dat jeugdleiders die ontmaskerde winkeldiefjes presten de gestolen spullen terug te bezorgen, nul op het rekest kregen. Te veel rompslomp, was de reactie van het (groot)winkelbedrijf.

“Wie het geringe zo weinig acht, verdient geen prioritaire aandacht van een toch al overbelast politie-apparaat”, sprak Roethof c.s. streng. Dat vormde, bij alle historische continuïteit, een niet onbetekenende slinger van de rechtsgeschiedenis.