Column

Röntgendrömen

Rijdend naar de voorstelling in Zwolle mocht mijn fantasie op het onderwerpje röntgennöken kauwen. In het Academisch Ziekenhuis Groningen wil er namelijk eentje afstuderen op de menselijke daad en hij zoekt paren die in een scanner willen wippen. De dokter ziet op het beeldscherm de skeletten aan de gang en volgt dan wat er allemaal bij mevrouw en meneer van binnen gebeurt. Ik word 's morgens natuurlijk al nerveus wakker. Half twaalf zijn we aan de beurt. Aan de beurt! Een woordspeling. Onderhand zie ik welk ondergoed mijn vrouw aantrekt en vraag me af of ik me er mee moet bemoeien. “Dit is veel te heavy voor de dokter”, probeer ik haar tot een preutsere lingerie-keuze te dwingen, maar mijn vrouw is niet te vermurwen.

“Drink je koffie op, want we gaan”, jaagt zij mij richting de auto en zwijgend rijden wij naar het hoge noorden. Voorzichtig probeer ik af te spreken wat we moeten doen in het geval ik hem door mijn zenuwen niet omhoog krijg, maar zij veegt dit onderwerp met een ruw gebaar van tafel.

“Dat heb ik bij jou nog nooit meegemaakt. Jij wilt zelfs op begrafenissen, dus het ziekenhuis lijkt me zeker geen drempel.”

“Maar al die toekijkende dokters en verpleegsters.” “Niet zeuren, doorrijden”, zegt ze streng en ik zet de radio wat harder. Tien over elf komen we de lift uit. Twintig minuten te vroeg. “Ha meneer en mevrouw Van 't Hek”, glimlacht de receptie-mevrouw, “u komt voor dokter Van Andel.” Op hetzelfde moment zie ik een lange gang en uit elke deuropening steekt een hoofd dat zich proestend terugtrekt. “Ze zijn er”, huilt een meisje tegen haar collegaatjes. We worstelen ons in de wachtkamer door oude roddelbladen en uiteindelijk verschijnt de dokter. “Mevrouw, meneer Van 't Hek, aangenaam kennis te maken, loopt u maar even mee”, roept de goede man iets te enthousiast en voor we het weten staan we in een kleedhokje te prutsen. Alsof we gaan zwemmen. We worden opgehaald door een droom van een verpleegster, mijn vrouw kijkt bestraffend naar mijn erectie, ik bied mijn excuses aan en het prachtige meisje zegt dat het niet erg is. Zij helpt ons in de koude, metalen tunnel, doet het deksel dicht en verlaat de kamer. De dokter spreekt ons door een speakertje toe.

“Begint u maar”, klinkt het nasaal.

“Je moet beginnen”, zegt mijn vrouw.

“Hoe? Hoe begin ik altijd? Ik ben de volgorde kwijt. Waar begin ik normaal mee? Waar hebben we het altijd over als we zin hebben? Help me nou? Begin jij maar! Jij begint toch ook wel eens?”

“Die kans heb ik bij jou nog nooit gehad. Kom op, aan je werk!”, zegt mijn schat.

“Bent u al begonnen”, roept het speakertje.

“Ik moet pissen”, roep ik schaamrood uit mijn kokertje, “kunt u mij misschien even bevrijden, er zit namelijk een kinderslot op de scanner.”

De verpleegster komt mij bevrijden, wijst mij het toilet en daar sta ik minutenlang zenuwachtig mijn angst weg te druppelen. Ze klopt op de deur en vraagt of het een beetje gaat. Inderdaad, het gaat een beetje.

De verpleegster helpt mij weer in het supersonische apparaat en de dokter roept dat we moeten ontspannen.

“Juist niet”, bijt ik mijn vrouw toe, “die gozer leest te veel Viva's. We hebben het nog nooit ontspannen gedaan.”

“Begint u nou maar”, roept hij opnieuw en ik moet aan het nummer Duif is dood van Toon Hermans denken. “Mijn naam is Bemelmans. Jack Bemelmans.” We modderen nog een kwartiertje door, horen in de andere kamer vloeken, lachen, zuchten en mijn vrouw sist in mijn oor waar ik in godsnaam mee bezig ben.

“Met jou”, huil ik... en opeens zie ik de dokter naakt voor de scanner staan. “Stapt u maar even uit, meneer Van 't Hek. Ik zal het een keer voordoen.”

Vlak voor Zwolle raak ik van de weg en sla met mijn auto drie keer over de kop. Ik word wakker in het Zwolse Sophia ziekenhuis en lig helemaal alleen in een scanner.

“Waar is mijn vrouw”, schreeuw ik tegen de dokter.

“Die komt eraan”, zegt de man met de dubbelzinnigste glimlach die ik ooit gedroomd heb.