Rangen en standen op het Binnenhof; De ellebogen van de volksvertegenwoordiging

In de arena van de Tweede Kamer wordt op meer fronten tegelijk gevochten. De Leden halen trucjes met elkaar uit, vechten zich in de commissies in en proberen de pers in te palmen. Een pikorde-portret van de Tweede Kamer der Staten-Generaal; waar emoties, ego's en macht elkaar kruisen.

Roger van Boxtel, sinds 4 mei 1994 lid van de Tweede Kamer voor D66, verhuisde onlangs van zetel nummer 50 naar zetel nummer 52. Op papier stelt dat weinig voor. Maar voor de fractie was het niet zonder belang. Stoel 50 staat in de slagschaduw van de publieke tribune achterin de grote zaal tegen de ambtenarenloge. In stoel 52 zit Van Boxtel helemaal vooraan, naast fractievoorzitter Gerrit Jan Wolffensperger, op het kruispunt van de vier vaste televisiecamera's die de volksvertegenwoordiging onafgebroken volgen. De verplaatsing van Van Boxtel, eerste woordvoerder Volksgezondheid, was in de binnenwereld van het parlement het fysieke bewijs van zijn promotie per 1 september tot vice-fractievoorzitter van D66. Die plek was vacant door het vertrek van Louise Groenman.

Formeel bestaat er geen rangverschil tussen de 150 volksvertegenwoordigers.Zij allen zijn immers door de kiezer afgevaardigd om “zonder last of ruggespraak-' de regering te controleren en om op te treden als (mede-)wetgever. De meeste fracties ontkennen bij hoog en laag een onderscheid tussen frontbenchers en backbenchers. “De taken zijn gelijkelijk verdeeld,” zegt Ank Bijleveld (CDA) bijvoorbeeld, “Iedereen doet mee.” In de praktijk zijn de verschillen binnen de Kamer echter levensgroot. VVD'er Johan Remkes, lichting 1994: “Het is waanzin om te geloven dat er 150 gelijke mensen in de Kamer zitten.” En Jan van Zijl, fractiesecretaris van de PvdA, verwijst naar Orwell's Animal farm: “All animals are equal, but some are more equal than others.”

De Kamer is een televisiestudio en voor een Kamerlid is het zaak in beeld te komen en te blijven. Jan van Zijl: “De hiërarchie wordt enigszins weerspiegeld door de plek die je hebt in de grote zaal.” Hij is inmiddels doorgedrongen tot de stoel pal achter zijn fractievoorzitter.

De plaats in de informele hiërarchie hangt nauw samen met het vermogen van Kamerleden zich te handhaven in de chaos van het parlementaire bestaan. Het is een “ruw metier”, zo meent de GPV'er Eimert van Middelkoop. En Thom de Graaf, fractiesecretaris van D66, zegt: “Je moet er op bedacht zijn dat voortdurend, altijd en overal, kunstjes worden geflikt.” Zelf was hij onlangs slachtoffer van zo'n 'kunstje'. Tijdens een werkbezoek aan Zürich vlooide De Graaf gebroederlijk met de PvdA-gezondheidsspecialist Rob Oudkerk de financiële bijlage door van de drugnota om geld te vinden voor experimenten met heroïne voor zwaar verslaafden. De Graaf ontdekte een post van ruim vier miljoen gulden en vertelde dat opgetogen aan coalitiegenoot Oudkerk. Kort na aankomst in Nederland zag hij tot zijn stomme verbazing een krantebericht waarin werd gemeld dat Oudkerk geld had gevonden voor die experimenten. “Zo'n collega ga je daarna met heel andere ogen zien,” zegt De Graaf.

Pisbak

Invloed verwerven en gezag, daarom draait het leven van een Kamerlid. En daarbij is het een misvatting om te denken dat de media hiervoor het meest aangewezen middel zijn. Het tegenvoorbeeld van een opvallende nieuwkomer in de PvdA-fractie, Peter Rehwinkel (lichting 1995), wordt hoofschuddend bekeken. Rehwinkel was opgevallen door zijn proefschrift over de positie van de minister-president, en door een bundel interviews met oud PvdA-bewindslieden uit het kabinet Lubbers-Kok. Sinds hij in de Kamer zit, zoekt hij veelvuldig de pers op met voorstellen op terrein van het staatsrecht of, in september nog, met een voorstel om voormalige premiers gedurende enige tijd administratieve ondersteuning te geven. Helemaal fout, zeggen andere Kamerleden, zonder natuurlijk op Rehwinkel zelf te willen afgeven. De Graaf: “De eerste les die wij nieuwe Kamerleden kregen, was: zorg ervoor dat je eerst gezag verwerft bij je collega-woordvoerders in andere fracties. Dan komt je profiel vanzelf in je eigen fractie en uiteindelijk ook wel bij de media. Als je het andersom doet, kom je in de Kamer niet ver.”

Jan van Zijl spreekt van “een goeie mix” tussen het bewerken van “je eigen akker” en “dat communiceren aan de media”. “Het contact met de pers moet niet hijgerig, niet gejaagd, maar consistent zijn.” Het zijn de dingen die volgens de PvdA-fractiesecretaris horen bij het handwerk: “Als je jezelf al te zeer alleen via de media profileert, roep je tegenkrachten op in de Kamer. De volgende dag staat iedereen bij de interruptiemicrofoon, die pisbak vult zich dan vanzelf, zoals Hans van Mierlo het interruptie-'muurtje' ooit noemde.”

Kennis van zaken, dat is toch het uitgangspunt om gezag te verwerven, zo belijden de meeste parlementariërs. In de 'buitenlandhoek', zegt Van Middelkoop, zie je nieuwelingen die vragen stellen aan de minister van buitenlandse zaken over belangrijke kwesties die buiten de bevoegdheid van de minister vallen. “Dat dreigt dan al snel te ontaarden in wat wij Hiltermandebatten noemen.”

De CDA-politiespecialist Frans Jozef van der Heijden spreekt over “het managen van je onderwerp”. “Met wie overleg je op welk moment. Als je tot resultaat komt, hoe formuleer je dat dan. Je bent tot aan het Kamerdebat van uur tot uur bezig met het op orde houden van je onderwerp, verzet opsporen en neutraliseren of juist medestanders vinden. En ondertussen je eigen lijn wel vasthouden: je uitgangspunt moet na alle compromissen wel zichtbaar zijn.”

Jan van Zijl, die onlangs kwam met nieuwe voorstellen om de AOW in de toekomst betaalbaar te houden, zegt dat het vooral een “zaak van lange adem is”. “Daar ben ik een half jaar mee zoet geweest. Eerst heb je de maatschappelijke discussie op allerlei niveau's. Uiteindelijk heb je een plan, gecheckt door Vermeend (partijgenoot en staatssecretaris belastingzaken, red). Ten slotte ken je alle ins en outs, heb je alles afgewogen en weet je: dit is het. Maar dan moet je nog langs Kok, Melkert en de fractie. Dan moet je weer bij nul beginnen. Iedereen gaat weer lullige vraagjes stellen. Zelf doe ik dat trouwens ook bij anderen.”

Profiel

In het gebruikelijke beeld van de Tweede Kamer treden de verschillende fracties op als elkaars tegenstrevers. Voor het individuele Kamerlid is het gevecht dat intern geleverd moet worden veel belangrijker. In de grote fracties heerst een permanente guerilla over de smakelijkste hapjes uit verschillende portefeuilles en over de baantjes. Prestige ontleent een parlementariër ook aan de aard van het onderwerp dat hij behandelt. Zo geldt de Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken als de meest prestigieuze. De commissies voor Europese Zaken en voor Nederlands Antilliaanse en Arubaanse zaken staan het minst in aanzien.

Van der Heijden: “Veel mensen denken dat het plenaire Kamerdebat het hoogtepunt is. Dat is niet zo. Het hardst moet je vechten in je eigen fractie. Daar sta je helemaal alleen tegenover alle anderen. Ieder fractielid kan op je schieten, terwijl je niet weet wat precies de politieke achtergrond is. Specialisten lopen meer krassen en schrammen op in de fractie dan in het debat met de anderen in de Kamer - daarvan staat het resultaat vaak te voren vast. Kijk naar PvdA-collega Marjet van Zuijlen de afgelopen weken over de winkeltijdenwet. Zij is gedwongen haar eigen standpunt drastisch aan te passen. Het gevecht met D66 valt in het niet bij wat zich daar in de PvdA-fractie intern moet hebben afgespeeld.”

De meest frequente ruzies binnen fracties draaien om de competentie: wie mag het woord voeren. Want dat betekent vergroting van de eigen bekendheid, Kamerleden noemen dat hun 'profiel'. Uiteindelijk, als het gaat om herverkiezing of op termijn een aantrekkelijke baan buiten de Kamer, geeft dat profiel de doorslag. En daarom knallen soms deuren in de 'buitenlandhoek' van D66, waar Jan Hoekema en Bob van den Bos twisten over de vraag of Bosnië nou een zaak is van defensie (Hoekema) of buitenlands beleid (Van den Bos).

Van Zijl meent dat men respect moet hebben voor elkaars woordvoerderschappen. “Maar Ruud (mede-fractiebestuurslid Vreeman, F.V.) kan best eens uit het buitenland terugkomen en een verklaring afleggen over ontslagbescherming. Ook al zit dat in mijn portefeuille.” En, zo laat hij er dreigend op volgen: “Er zijn wel grenzen aan wat ik plezierig of geloofwaardig vind.”

Om de eigen positie te consolideren, is het streven van veel Kamerleden gericht op baantjes in de fractie. Exemplarisch is het gevecht tussen het nieuwe Kamerlid Saskia Noorman-Den Uyl en fractievoorzitter Jacques Wallage. Vorig jaar ging het erom wie voorzitter werd van het fractiecluster Zorg en Onderwijs van de PvdA en tevens lid van het fractiebestuur. Wallage had daar graag Ella Kalsbeek gezien, maar Noorman was niet van plan deel uit te blijven maken van het grijze voetvolk van de fractie. Geheel tegen de heersende mores in, liet zij het aankomen op een stemming, die zij vervolgens won. Een gevoelige nederlaag voor Wallage.

Maatjescultuur

Zeer gewild is ook de positie van fractie-secretaris, automatisch lid van het Kamerpresidium. Dat orgaan bepaalt de agenda van de Kamer, samen met de Kamervoorzitter. Maar ook de voorzitterschappen van de verschillende commissies worden er voorgekookt. Er wordt nauwlettend voor gezorgd dat alle grote fracties naar evenredigheid aan bod komen. De verkiezing van de commissie-voorzitters is dan ook een formaliteit.

De functie van fractie-secretaris heeft alles te maken met de procedures. Het belang daarvan wordt buiten het parlement zwaar onderschat. “De procedurevergaderingen zijn gevechten die niet voor niets in beslotenheid plaatshebben”, zegt De Graaf, “Daar wordt bijvoorbeeld bepaald of de drugnota zo snel mogelijk wordt behandeld of dat het wordt uitgesteld zodat het onderwerp kan afkoelen. Maar ook wie worden uitgenodigd voor een hoorzitting, of de vraag of een bepaalde bewindspersoon al dan niet naar de Kamer gehaald moet worden.”

Paradoxaal genoeg zijn de onderlinge contacten tussen de specialisten van verschillende fracties vaak allerhartelijkst. “Het is een illusie te denken dat je hier door het leven moet op permanente voet van oorlog met andere fracties,” zegt Johan Remkes. Dan krijg je niets voor elkaar en daar was het wel allemaal om begonnen.” In het parlement heerst wat De Graaf zelfs “een maatjescultuur” noemt. “Ieder fractielid heeft een maatje in de ander fracties met wie hij alle debatten doet. Veel informele discussies spelen zich af tussen die individuele Kamerleden: de collega-woordvoerders. Vandaar ook dat gevlieg heen en weer tijdens de fractievergaderingen op dinsdagochtend: iedereen is dan in de weer om zaken met andere fracties te regelen. Dat interne gefriemel en gemier is moeilijk zichtbaar voor de buitenwereld.”

Overigens moet hier ook weer geen al te rozige voorstelling van worden gemaakt. De Tweede Kamer kent “kinderachtigheden”, zoals Van Middelkoop het noemt. Wie mag bijvoorbeeld de eerste ondertekenaar van een motie of amendement worden. “Als je als enige je naam onder een amendement wilt krijgen, dat niettemin veel steun krijgt, is het een kwestie van een paar anderen te vinden die meetekenen. Die moeten dat van elkaar niet weten. Want een amendement krijgt de naam van maximaal twee ondertekenaars, zijn het er meer dat leeft alleen de eerste ondertekenaar verder in de annalen.” Berucht is ook de wedstrijd iedere dinsdagochtend naar de griffie voor mondelinge vragen. Dat is meestal in reactie op de actualiteit van het weekeinde. Vaak zijn er meer gegadigden die allemaal 's middags live op televisie tijdens het Vragenuurtje willen verschijnen. Het afgelopen jaar werden er tot nu toe 76 mondelinge vragen gesteld; een verdubbeling ten opzichte van de drie jaren hiervoor.

Gebbetjes

Ook het stellen van schriftelijke vragen “om opheldering” is populair, vooral bij de oppositiepartijen. Hierbij gaat het er om de vraag zó te stellen dat hij net afwijkt van een andere vragensteller. Uit een telling van de Tweede Kamer blijkt dat de leden tot nu ruim duizend vragen hebben ingediend. Dat zijn er tweehonderd meer dan vorig jaar. In de top vier staan de GroenLinksers Leonie Sipkes en Marijke Vos met allebei ruim vijftig vragen bovenaan. Zij worden op de voet gevolgd door de SP'ers Jan Marijnissen en Remi Poppe. Daarna volgt verrassend een onbekend lid van de CDA-fractie, Maria van der Hoeven, die net als GroenLinks-fractievoorzitter Paul Rosenmöller zo'n veertig vragen stelde.

De regeringsfracties kijken neer op de vragenstellerij. Remkes: “Vaak worden vragen niet gesteld om antwoord te krijgen maar om in de publiciteit te komen. Maar het stellen van vragen over de stoeptegels in Jipsingboertange, dat ligt mij niet.”

De geringe vrijheid om zelfstandig gebruik te maken van parlementaire rechten wordt geïllustreerd door de controle die de fracties zelfs bij dit lichtste wapen uitoefenen. Vragen kunnen pas na voorafgaande goedkeuring van fractiebestuur en/of clusterhoofd worden ingediend.

De ellebogen mogen niet te hard worden gebruikt, al was het maar omdat iedereen elkaar weer eens nodig kan hebben. “Je moet het fair spelen,” zegt Remkes, “Dus als je weet dat iemand ergens mee bezig is, niet even een vluggertje plegen door ervoor langs te lopen.” Remkes zelf is dat nog niet overkomen. “En ik raad het de collega's voor de toekomst ook niet aan,” waarschuwt hij.

Frans Jozef van der Heijden bekent dat hij “niet geheel onschuldig is” als het gaat om trucs. “Daarbij hoort dat je ook moet kunnen incasseren. Als ik bijvoorbeeld grappen maak met een minister, mopper ik niet als hij mij vervolgens confronteert met wat ik zelf vroeger allemaal heb gevonden.” Maar er zijn grenzen. “Ik vroeg eens PvdA-collega Gerda Dijksman een motie mee te ondertekenen. Vervolgens diende zij razendsnel diezelfde motie in onder eigen naam. Dat was niet mooi. Daar kan ze hard voor worden gestraft. Nog een paar van dat soort gebbetjes en ze ligt eruit bij de collega's,” zegt Van der Heijden, die er poëtisch op laat volgen: “Het is een kwestie van uitdelen en ontvangen maar het gaat wel om de fair play-cup. Als je je daar niet aan houdt, krijg je last.”

Bescheiden

Een Kamerlid, zegt Thom de Graaf, moet niet alleen beschikken over inhoudelijke kennis, maar ook over “intrinsieke kwaliteiten”. Contactuele eigenschappen zijn bijvoorbeeld Zeer Belangrijk. “Neem bijvoorbeeld Loek Hermans, voormalig Kamerlid voor de VVD. Hij beschikt over bestuurlijke maar ook over communicatieve vaardigheden. Zoiets wordt herkend door ministers en ambtenaren. Zo werd hij burgemeester, en vlot daarna commissaris der koningin in Friesland.”

Kamerleden moeten voortdurend in de gaten houden hoe hun optreden wordt beoordeeld: uiteindelijk blijkt de waardering uit de lijst voor de volgende verkiezingen. Dit geldt speciaal voor de grotere fracties, die allen hun eigen methoden hebben. Zo werken CDA en PvdA met functioneringsgesprekken, terwijl de beoordeling binnen VVD en D66 minder strikt is geregeld.

Bij het CDA voeren fractievoorzitter Enneüs Heerma en partijvoorzitter Hans Helgers gedurende de kabinetsperiode twee gesprekken met alle leden van de fractie. Ank Bijleveld: “Daarbij zal uiteindelijk verstandig moeten worden omgesprongen met onze regel dat een Kamerlid maximaal twaalf jaar mag blijven zitten. Anders dreigen we in 1998 in één klap beroofd te worden van de hele generatie die in 1986 is aangetreden.”

Rond de mond van Remkes verschijnt een meewarig lachje bij het woord 'functioneringsgesprek': “Als je een beetje kritisch kunt zijn ten opzichte van jezelf en openstaat voor de kritiek van collega's, dan weet je van jezelf wel hoe je functioneert en wat je zou kunnen verbeteren. Zelf ben ik bijvoorbeeld niet het meest bescheiden Kamerlid die hier rondloopt.” D66 zegt niet aan functioneringsgesprekken te doen. “Gerrit Jan spreekt wel af en toe eens met individuele leden. Maar gesprekken met formulieren en zo verdragen zich niet met onze cultuur,” zegt Thom de Graaf. D66-fractieleden kunnen echter allerminst ontspannen achterover leunen: “Informeel bewaken de fractievoorzitter en de clustervoorzitters de kwaliteit. En onderling zeggen we elkaar wel wat we ervan vinden, dat is niet zo gebruikelijk bij anderen.”

De PvdA-fractie is de enige met een “personeelsbeleid”, zoals partijvoorzitter Felix Rottenberg dat vorige jaar noemde. Op dit moment voert een vierschaar, bestaande uit Jacques Wallage, Karin Adelmund, Jan van Zijl en Rottenberg, een eerste ronde gesprekken. Vóór 1998 volgen er nog twee. “Die laatste keer,” zegt Van Zijl, “zit er met het oog op de verkiezingen een stevig element van beoordeling in.” Daarbij wordt er rekening mee gehouden dat de volgende fractie voldoende diversiteit moet hebben. “Je moet kortom niet 37 Vermeends of Melkerts hebben. Dat is net zo erg als 37 Van Zijls.” In de huidige eerste ronde gesprekken wordt het optreden van de Pvda-fractieleden nog welwillend beoordeeld, zo blijkt. Er zijn mensen met “startproblemen”, volgens Van Zijl. En die krijgen alsnog een ouder Kamerlid als mentor toegewezen. Over drie jaar kan de bijl vallen. Van Zijl: “Tegen die tijd kan het oordeel toch luiden dat meneer of mevrouw wel erg veel kan, maar niet in de politiek.”