Papageno is niet langer de irritante simpelmans, maar een cynische nar; Prachtige Zauberflöte van Appel en Audi

Voorstelling: Die Zauberflöte van W.A. Mozart door de Nederlandse Opera en het Ned. Kamerorkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Decor: Karel Appel; kostuums: Karel Appel en Jorge Jara; choreografie: Min Tanaka; regie: Pierre Audi. Gezien: 1/12 Muziektheater Amsterdam. Tien herhalingen t/m 28 uitverkocht.

De menagerie van talloze vrolijk gekleurde dieren die bij de Nederlandse Opera de nieuwe produktie van Mozarts Die Zauberflöte beheerst, lijkt zó afkomstig uit de Ark van Noach, de opera van Guus Janssen waarvoor Karel Appel anderhalf jaar geleden het decor maakte. Net als die voorstelling wordt nu Die Zauberflöte, die gisteravond in Amsterdam met veel publiek succes in première ging, geregisseerd door Pierre Audi en het is zijn bijzonderste enscenering sinds Monteverdi's Ulisse (1990).

In zijn met veel losse elementen inventief gedetailleerde decor voor Die Zauberflöte komt Appel naast zijn bekende uitbundige en herkenbare Cobra-schilderstijl nu ook met andere, geserreerder beeldende vormen. De poorten die de grens markeren tussen het rijk van de natuur (van de Koningin van de Nacht) en het rijk van de cultuur (van Sarastro) zijn al bijna abstraherend: naar beneden hangende touwen, die elegante openingen vormen.

De rechte lijnen van dat toneelbeeld komen nog radicaler terug in Sarastro's piramidale Wijsheidstempel: de Mesopotamische ziggurat bestaat uit cleane gestapelde dozen, bekroond met een kubus. Van binnen zijn ze egaal verlicht in verschillende kleuren, zodat het geheel aandoet als een soort drie-dimensionale Mondriaan. Een kaarsrechte afscheidingsmuur heeft een serie identieke versieringen: ondanks de wulpse kleurigheid ook al niet typisch Karel Appel.

Die 'oude' en 'naïef-natuurlijke' Appel is overigens vooral voor de pauze nog sterk aanwezig in een traditioneel coulissendecor met zetstukken. De vogelhandelaar Papageno komt op in een Diane-achtige Eend, in gezelschap van citroen-kleurige vogels, die waggelend het rotslandschap op het podium intrekken en vliegend het luchtruim verkennen. Ook de uit het Roder Jongenskoor afkomstige Drei Knaben - innemende neefjes van De Saint-Exupéry's Le petit prince - vliegen daar rond in hun speelgoedvliegtuig.

De slang is van het Chinese type: een soepel kronkelend beest, bewogen door mimespelers die de hele voorstelling hand en spandiensten verrichten, zoals in de Rossini-produkties van Dario Fo. Er zijn trollen die denken achternichten te zijn van Tina Turner. De geharnasten lijken op voorspraak van choreograaf Min Tanaka op samoerai: zwaardvechters met helmen, bekroond door vlammen. Ze zorgen voor een van de spectaculairste beelden.

De toevoeging van een nieuwe dimensie aan het bekende doet zich ook voor in het muzikale aandeel. Dirigent Hartmut Haenchen heeft Mozarts manuscript uitvoerig bestudeerd en doet in het programmaboek verslag van zijn bevindingen. Deels verschaffen die meer inzicht in de geestelijke en de sociaal-maatschappelijke bedoelingen die Mozart en zijn librettist Schikaneder hadden met deze vrijmetselaars-opera. De voorstelling legt echter meer nadruk op alledaagse menselijkheid dan op moeizame mystiek.

Haenchen komt ook met voorstellen tot wijzigingen in de gedrukte partituur en tot speelwijzen, die afwijken van de gebruikelijke. Bij een van de populairste opera's, al meer dan tweehonderd jaar onderwerp van musicologische studie, is dat opmerkelijk. Hoewel de meeste van Haenchens ontdekkingen niet of nauwelijks direct waarneembaar zijn tijdens deze drukke voorstelling, valt één ding echter onmiddellijk op: de vocale cadens die de Drei Damen aan het eind van hun eerste optreden zingen op het woord 'Lebewohl' is nooit eerder gehoord.

Mozart scheurde de pagina met zestien cadens-maten uit het manuscript, zodat slechts de twee eerste en de laatste zes bewaard bleven, en dan nog onder doorhalingen. Haenchen reconstrueerde dit in de operaliteratuur ongekend virtuoze trio, dat destijds kennelijk te moeilijk was. De cadens loopt uit op een spannende zangwedstrijd tussen de goed zingende Gabriele Fontana, Norina Burges en Ursula Hesse.

Ook in de regie van Pierre Audi valt op dat het bekende verhaal over de 'redding' van Pamina en de verovering van Papagena deels anders wordt gepresenteerd. Vooral de figuur van Papageno krijgt een geheel nieuw profiel. In de zelfbewuste vertolking van Andreas Schmidt is hij niet langer de irritant simpelste mens op aarde, maar een krachtige, cynische persoonlijkheid, op het filosofische af: een norse nar.

Die stevigheid en soms zelfs straffe hardheid in de uitbeelding - acterend, vocaal èn instrumentaal - zijn het opmerkelijkste van deze Zauberflöte, die feestelijk begint en allengs fascinerender wordt. Terwijl John Eliot Gardiner afgelopen zomer in het Holland Festival het werk bracht in een wat luchthartige sfeer, zorgen Haenchen en zijn uitstekend spelende Nederlands Kamerorkest voor een zwaardere, intense dramatiek.

De hoofdpersonen nemen de handeling alle uiterst serieus. De Drei Damen zijn onverbiddellijke akela's in groene 'wander'-kledij. Tamino (Michael Schade, die ook bij Gardiner zong en hier vooraan ligt in de race voor het wk standvastige held) kent geen relativering. Pamina (een schitterend zingende Christine Schäfer) is een prinses in permanente existentiële problemen. De Koningin van de Nacht (Mary Dunleavy) zingt Der Hölle Rache kocht in meinen Herzen met explosieve hardvochtigheid en schiet haar coloraturen af als mitrailleurkogels. En ook de strenge Sarastro (een imposante Kurt Rydl) mist de gebruikelijke milde halo om zijn wijsheid.

Speels tegenwicht vormen de moren onder leiding van Monostatos, vertolkt door de immer aanstekelijk leuke Alexander Oliver. Die moren zijn hier nikkertjes van het zo-zwart-als-roet-type dat men tot in het begin van de jaren '50 in kinderboeken nog vrolijk zag dansen rond de kookpot met de gevangen missionaris.

Zoals altijd bij Audi vormen de oer-elementen de basis van de enscenering. Appel modelleerde ruige rotsen, terwijl water en vuur zich in verschillende vormen voordoen. Tijdens de water- en vuurproef, die Tamino en Pamina afleggen, zien we het water en het vuur eerst verbeeld met technieken uit de beeldende kunst. En dan zien we plots ècht water en ècht vuur dooreen: fonteinen van brandend water. De boodschap kan niet anders zijn dan: hier is het onmogelijke verricht.