Nieuwe koers Duitse SPD zaait onrust over 'Europa'

Sinds Oskar Lafontaine de leiding van de Duitse sociaal-democraten overnam, wordt druk gespeculeerd over de koers van de SPD. Is hij een zegen of een ramp? J.M. Bik slaat de kans dat de partij vertrouwen herwint, niet hoog aan, zeker niet na de flirt met de vroegere Oostduitse communisten.

Een week of zes geleden was, toen nog, SPD-on dervoorzitter Oskar Lafontaine hoofdpersoon in het ZDF-programma Was nun, Herr ..? Een vaste attractie in dat programma is de zogeheten 'verrassingsgast'. Dat werd die avond Gregor Gysi, fractieleider in de Bondsdag van de PDS en onbetwist haar vlaggedrager sinds die partij eind 1989 als opvolgster van de in de DDR heersende Socialistische eenheidspartij (en als erfgenaam van haar geld en onroerend goed) werd opgericht.

De twee politici hebben hun kleine gestaltes en verbale vaardigheden gemeen. Maar ook in hun verschillen hebben zij nog wel wat gemeenschappelijks. De Saarlandse premier is het bekendste en waarschijnlijk schranderste politieke kleinkind van de vroegere SPD-kanselier Willy Brandt. Hij behoort tot de generatie-1968, is belijdend lid van de zogeheten Toskana-Fraktion in de SPD (motto: 'Carpe Diem') en ging de afgelopen jaren een enkel schandaaltje niet uit de weg.

Als representant van het tegen Frankrijk aanleundende deelstaatje Saarland is Lafontaine geografisch èn cultureel-psychologisch een uitgesproken Wessi, dus niet erg populair in Oost-Duitsland. Daar klinkt de echo nog van zijn uitspraak dat hij een vrij weekeinde natuurlijk liever in Parijs of Milaan dan in Dresden of Leipzig zou doorbrengen. Juist aan een persoon als Lafontaine is te zien hoe goed de Westintegration van de 'oude' Bondsrepubliek gelukt is.

Lafontaine heet binnen de SPD 'links' wegens zijn opvattingen op het gebied van buitenlands beleid en defensie. Maar hij zou, gelet op zijn economische ideeën, binnen die partij net zo goed 'rechts' genoemd kunnen worden. Of, nog beter: hij is een pragmaticus die vooral geïnteresseerd is in de kortste weg naar de macht en daarnaar zijn - desnoods wisselende - strijdmiddelen kiest. En daarbij medestanders enthousiasmeert door met tegenstanders te polariseren.

Gysi is de zoon van een vroegere, later bij de top van de Socialistische eenheidspartij (SED) in ongenade gevallen DDR-staatssecretaris. Hij heeft in de DDR lange tijd als advocaat gewerkt voor mensen die het met het SED-regime aan de stok hadden, maar verloor zijn goede banden met de Oostduitse politieke elite nooit. Wat wellicht mede was toe te schrijven aan zijn geheime contacten, als informeel medewerker (schuilnaam: 'IM Notar'), met de staatsveiligheidsdienst.

Het leven en de geschiedenis, en dan vooral de omwenteling in Oost-Duitsland, het einde van de SED en de oprichting van de PDS, deden hem tot Super-Ossi uitgroeien. Zijn politieke talent maakte hem vervolgens de grote kampioen van oude gefrustreerde SED-kaders en miljoenen Oostduitsers die de afgelopen jaren teleurgesteld raakten over het leven in de harde kapitalistische wereld van die arrogante Wessi's. Want de Oostduitsers willen de DDR niet terug, maar velen zien in Gysi wèl 'onze man tegen Bonn'. Zoals de Pruisen ooit Bismarck als hun man tegen het Rijnland zagen. Wat dat betreft is er niet zóveel veranderd.

Die twee politieke haantjes van rond de vijftig - voor beiden geldt dat de tijd begint te dringen - zaten elkaar mooi dwars in die tv-uitzending. Dat beviel van weerskanten zó goed, dat zij besloten voor 29 november een vervolgafspraak te maken voor een persoonlijk gesprek over de verhouding van hun partijen. Dat was opmerkelijk. SPD-voorzitter Rudolf Scharping had de PDS in de zomer van 1994 - nadat hij haar na lange aarzeling en contre coeur had geslikt als 'gedoogster' van een rood-groene coalitie in de deelstaat Saksen-Anhalt - immers aangemerkt als een “ondemocratische partij” waarmee contacten taboe waren.

Maar echt beladen raakte die afspraak Lafontaine-Gysi pas nadat Lafontaine ruim twee weken geleden op het partijcongres van de SPD na een korte sprint Scharping uit het partijvoorzitterschap had verdrongen en bezwoer dat hij van de SPD weer een “linkse partij” wilde maken, met een coalitievoorkeur voor de Groenen. En bovendien nìet zei wat Scharping wèl steeds zei, namelijk dat hij geen SPD-kanselier wenst dankzij PDS-steun.

Lafontaine heeft afgelopen dinsdagavond een uur met Gysi gepraat, tijdstip en plaats waren zó gekozen, dat de meeste Duitse media er pas achteraf lucht van kregen en pas donderdag over konden berichten. Waarbij opviel dat van SPD-kant grote moeite werd gedaan om de betekenis van het gesprek zoveel mogelijk te bagatelliseren, terwijl Gysi - natuurlijk - zei dat hij de indruk had gekregen dat Lafontaine de betrekkingen tussen beide partijen op den duur wil “normaliseren”.

De CDU/CSU en de FDP zeiden - natuurlijk - de indruk te hebben dat de SPD onder Lafontaine op weg is om de “democratische consensus” in de Bondsrepubliek te verlaten. De consensus dus, die wil dat de democratie moet worden verdedigd tegen extreem-rechts (Republikaner, DVU enz.) door de CDU/CSU, en tegen radicaal-links (PDS, DKP, Autonomen enz.) door de SPD en de Groenen.

Die kritiek is zwaar overdreven. De PDS komt in West-Duitsland weliswaar nog niet aan één procent, maar haalde in Oost-Duitsland (een vijfde van het totale Duitse kiezerscorps) de afgelopen anderhalf jaar 20 tot 30 procent van de stemmen (nationaal dus 4 tot 6 procent). In Oost-Berlijn kreeg zij een paar weken geleden zelfs de helft van de jonge kiezers achter zich; zij is meer dan alleen maar een partij van onbekeerde communisten. En: zij staat niet alleen; in Polen, Hongarije en andere Oosteuropese landen hebben de vroegere communistische partijen onder andere namen ook de wind in de zeilen. Het zal dus wel om een algemeen Oosteuropees verschijnsel gaan, zou men kunnen zeggen.

Maar is dat (helemaal) juist? Anders dan de Poolse en Hongaarse communistische partijen was de SED zichzelf najaar 1989 helemaal niet aan het hervormen. Integendeel, dat zij dat niet deed (of niet kon) was juist een reden voor het volk in de DDR om de straat op gaan. Bovendien: waar in Polen en Hongarije de opvolgsters van de vroegere communistische partijen vóór de markteconomie en aansluiting bij de NAVO en de Europese Unie zijn, is de PDS daartegen. Zij wil via een eigen “derde weg” naar een andere Duitse republiek. Namelijk (zoals haar in 1993 opgestelde programma het zegt) “een republiek die het positieve opneemt uit de vroegere Bondsrepubliek en de DDR”.

De PDS is een partij met nog zo'n 120.000 leden (de SED had er medio 1989 ongeveer 2,3 miljoen). Zij kent een Kommunistisch Plattform van marxistisch-leninistische signatuur. Ruim 70 procent van haar leden komt uit de SED voort. Haar kiezers mogen grotendeels proteststemmers zijn, de PDS zelf is, al vraagt niemand Gysi daarnaar in talkshows, structureel een antidemocratische en in feite ook een anti-Europese partij. Waarmee de kwestie qua belang dus uitstijgt boven de Duitse binnenlandse politiek.

Want er kan flink wat op het spel komen te staan als Lafontaine de weg naar een SPD-kanselierschap in 1998 inderdaad alleen maar begaanbaar acht als de Groenen en de PDS, gedogend of als partner, daaraan meewerken. Bijvoorbeeld in een scenario waarin de FDP onder de kiesdrempel van vijf procent blijft en de CDU/CSU wèl als grootste partij eindigt maar alleen geen meerderheid haalt.

De politieke onrust die alom in Bonn is ontstaan sinds Lafontaine de leiding van de SPD overnam - hier en daar werd al over mogelijke vervroegde verkiezingen gespeculeerd - heeft met zulke scenario's te maken. Het zijn scenario's die ook nog andere angstige elementen bevatten. Zoals: wat gaat straks het einde van de D-mark voor de verkiezingscampagne betekenen, zeker als Lafontaine c.s. daarvan een groot nummer gaan maken? En: wat zou het uitmaken als de Duitse economie de komende jaren echt weer terugzakt in een recessie (de eerste signalen daarvoor zijn er al)?

Er zijn twee voor de discussie belangrijke personen die de afgelopen weken vrij kalmpjes bleven. Zij kwamen in verschillende bewoordingen tot dezelfde conclusie. Kanselier Helmut Kohl haalde vorige week op een van zijn zeldzame persconferenties zijn oude Laagertheorie van stal. Leve de duidelijkheid, zei hij, een links blok alléén haalt onder het nog steeds overwegend burgerlijke Duitse electoraat geen meerderheid tegen de CDU/CSU (met of zonder de FDP).

En Joschka Fischer, de kopman van de Groenen, zei eigenlijk hetzelfde toen hij Lafontaine waarschuwde dat een “linksere” SPD weliswaar stemmen terug kan veroveren van de Groenen, maar dat zoiets nog geen meerderheid biedt. Zeker niet als de PDS ook nog op de een of andere manier moet worden ingeschakeld en dan nòg meer kiezers wegblijven of naar het midden vluchten.

Wat Fischer in feite van Lafontaine vraagt is: Oskar, blijft met je SPD zo dicht mogelijk bij het midden, dwing ons Groenen niet verder naar links en praat niet met of over de PDS, want daarbij heeft behalve de PDS alleen de CDU/CSU baat. Het moet je, Oskar, om de kíezers van de PDS gaan, niet om die partij zelf.

Maar nu hij net Scharping en diens voorzichtige koers naar het midden met hulp van een emotioneel SPD-congres om zeep heeft geholpen, kan Lafontaine zulke adviezen slecht gebruiken. Hij komt er nog wel achter, zullen Fischer en Kohl denken. Gregor Gysi, die toch niet echt wil of kan regeren (want dan kun je niet protesteren), denkt misschien net zo, maar houdt natuurlijk zijn mond. Dat SPD-congres van twee weken geleden zou straks - als de euforie over die mooie overwinning van gisteren op vandaag vervlogen is - wel eens een ramp in de partijgeschiedenis kunnen blijken.