Neuspeuteren, een kunst, een kunde

ROLAND FLICKET: Nosepicking for Pleasure. A Handy Guide

92 blz., geïll., Warner Books 1995, ƒ19,95

Wij leven in een transparante tijd en wij weten het. Alle vormen van menselijke intimiteit worden in het openbaar gepraktizeerd, geen aberratie van de psyche blijft meer onbesproken, geen relatievorm is nog langer onbeproefd, en zelfs de verste uithoeken van onze beschaving zijn reeds lang met de draagbare camera in beeld gebracht. Er rest slechts één domein waarin men zich beschermd weet door de beschutting van het taboe, waarin men zonder toeschouwers één wordt met zichzelf zonder existentiële consequenties.

Het is een domein waarover Freud niet durfde te schrijven, waarvoor de meest geharde cultuurduiders terugdeinzen, en waaraan geen praatshow de handen durft te branden. En toch is het menselijk, al te menselijk zelfs: kardinalen doen het, dichters doen het, stratenmakers en hoogleraren doen het, politici en journalisten doen het. Het vereist niets dan een geringe handvaardigheid, een zekere mate van toewijding, en een natuurlijke nieuwsgierigheid naar het eigen wezen. Ik bedoel neuspeuteren. Echt bevredigend neuspeuteren is een kunst en een kunde, maar zonder twijfel is het ook de meest verzwegene van alle eigenschappen die de mens van het dier onderscheiden. Daarom is het des te meer toe te juichen dat het dunne maar niet onelegante handboek Nosepicking for Pleasure zojuist voor een groot publiek toegankelijk is geworden, nadat een beperkte oplage van het werk al enige tijd in kringen van geoefende neuspeuteraars van hand tot hand ging.

Auteur Roland Flicket is een connaisseur. Onder het motto All the fun of sex without the risks biedt hij in kort bestek een overzicht van de geschiedenis, de technieken en de problemen van neuspeuteren. Een aantal van zijn observaties is van bijzondere betekenis. Zo biedt het onloochenbare gegeven dat mannen zich veel vaker dan vrouwen bezighouden met nasale archeologie stof tot nadenken. Betekent dit dat vrouwen een hoger peil van beschaving hebben bereikt omdat zij hun primordiale aandriften weten te onderdrukken? Betekent het dat vrouwen ook op dit gebied slachtoffer zijn geweest van onderdrukking van hun privégenoegens, en dat de emancipatie zal resulteren in toenemend neuspeuteren in feministische kring? Of betekent het dat mannen inderdaad van nature jagers zijn, meer dan vrouwen agressief op zoek gaan naar buit, en rusteloos tasten naar nieuwe horizonten - precies zoals zij ook altijd gretiger dan de andere sekse van televisiestation naar televisiestation zappen.

Flicket blijft het antwoord schuldig, maar weet gelukkig wel te melden dat de meerderheid van de peuterende mannen (circa 67 procent) zich voor een snelle opgraving bedient van de klassieke techniek van de 'open, omgekeerde wijsvinger-draai'. Bovendien biedt hij de leerzame informatie dat slechts een kleine minderheid der peuteraars het uit de neus opgediepte goedje daadwerkelijke consumeert (gestold snot heeft ongeveer dezelfde voedingswaarde als corn flakes). Er zijn al meer neuspeuteraars die hun schatten onder stoelen, banken of tafels vastkleven (men leze hieromtrent de beeldende beschrijvingen in De avonden), maar de overgrote meerderheid bedient zich gewoonlijk van de 'roll and flick'-methode. Met een draaibeweging wordt het gepeuterde materiaal tussen duim en wijsvinger tot een bolletje gemaakt, waarna het als een propje wordt weggeschoten. Bogies Het is ondertussen zonderling dat in dit boek nogal wat aandacht is voor slijm en snot (kleur, substantie, samenstelling). De ware peuteraar is helemaal niet geïnteresseerd in vloeibaar neusvocht. Hij gaat voor de harde, gestolde stukken in zijn neus, en dan liefst nog voor degene die enige behendigheid vergen om ze aan het daglicht te krijgen.

In het Engels heten die trofeeën 'bogies' (een woord dat alles kan betekenen tussen 'karretje', 'wagon met draaibaar onderstel' tot 'kabouter'). In het Nederlands is het niet de rigueur het neusgepeuterde goedje te benoemen, maar in Utrecht en omstreken geldt het prachtige woord 'bulkje' als aanduiding. Deze term heeft een aangename, materiële klank, absoluut de goede connotaties (bulkgoed, hij bulkt van het geld) en men kan het bijna net zo fijnzinnig tussen duim en wijsvinger draaien als datgene wat het beschrijft.

Over de vraag of men hulpmiddelen mag gebruiken tijdens het peuteren is Flicket weinig mededeelzaam. Hij beperkt zich enigszins prozaïsch tot de zakdoek maar laat zich over theelepels, gebaksvorkjes, ballpoints en breinaalden niet uit. Wat betreft de kwestie van de taboeïsering van het neuspeuteren draait Flicket ook een beetje om de brij heen. In zijn boekje probeert hij een vrolijke, niet zelden misschien wel te vrolijke toon aan te slaan, wellicht om duidelijk te maken dat peuteren leuk is. Dat lijkt mij niet de juiste manier om virulente tegenstanders noch om ervaren peuteraars toe te spreken. Neuspeuteren is geen zaak die men licht dient op te vatten, daar het allerhande implicaties heeft voor het geestelijk welzijn van de beoefenaar en voor de symboliek van het menselijke lichaam in onze samenleving. Dat de neus een seksueel symbool bij uitstek is, behoeft geen nadere toelichting. Wel dat erin peuteren dientengevolge onvermijdelijk diep penetreert op het terrein waar schaamte en libido met elkaar worstelen (Het is geen wonder dat neuspeuteren een favoriet thema van verborgen camera's is). Uitdrukkingen zoals 'bij de neus nemen', 'de neus in de wind gooien', 'de neus ergens in steken' en 'het neusje van de zalm' zeggen alles over de delicate rol van dit anatomisch onderdeel, en ze doen bovendien beseffen dat het niet voor niets is dat peuteraars het liefst in afzondering beziggaan. Alleen onbespied bereikt men de juiste staat van introvertie, genot en de vereiste diepte.

Het valt te vrezen dat dit boek vooralsnog niets zal veranderen aan het taboe van neuspeuteren. Velen vinden het nu eenmaal een afstotende bezigheid - om te zien bij anderen, althans. Kwinkslagen zoals 'er is nog veel meer op de plek waar dit vandaan komt', of 'kijk eens wat een leuk kleurtje dit bulkje heeft' werken doorgaans niet apaiserend op kokhalzende toeschouwers. Niet weinigen zullen deze beschouwing ook met een mengeling van ongeloof, walging en heimelijke lust hebben gelezen. Toch is het voor al deze vijanden van het peuteren heilzaam om de vraag onder ogen te zien die bij iedere wroeting in het neusgat aan de orde is: wat zoekt de peuteraar? Het antwoord is niet moeilijk. De vinger in de neus tast immers overduidelijk richting hersenen. De peuteraar is, zoals de mens betaamt, op zoek naar wijsheid. Hij stuit op gestold snot, en daarmee heeft hij het raadsel van het bestaan gevonden.