Koning Karel

De Britse econoom Walter Bagehot schreef ruim 130 jaar geleden een even humoristisch als serieus tractaat over de functie van de monarchie, waarin hij het koningschap inherente magische eigenschappen toeschreef. Het duurde enkele jaren voordat zijn lezers door hadden dat hij dat minder letterlijk dan gekscherend had bedoeld, maar toen was er niets meer aan te doen. Bagehots voorstelling van de werking van het regeringssysteem had intussen zoveel wortel geschoten dat de Engelsen zich niet meer van de wijs lieten brengen door zijn ironische voorbehoud dat die magische kwaliteiten vooral in getemperd licht beoordeeld moesten worden (“Never let daylight in upon magic”). Op grond van zijn originele, maar verkeerd gelezen verhandeling hechtten generaties Engelsen geloof aan de mythe dat de Britse soeverein een creatie van hogerhand was, die begiftigd was met goddelijke eigenschappen. Het was een onuitroeibare notie die zich langer dan een eeuw in het nationale bewustzijn zou handhaven. Jonathan Dimbleby vermeldt in zijn recente biografie van de Britse kroonprins (The Prince of Wales, blz. 9) dat bij een opiniepeiling in 1956, vier jaar na de troonsbestijging van Elizabeth II, meer dan een derde van het Britse volk nog geloofde dat de Britse soeverein door God gekozen was (“had been chosen by God”). Dat was hetzelfde jaar waarin de Greet Hofmans-affaire voorgoed het laatste beetje goddelijke glans aan het Nederlandse koninklijk huis ontnam.

Volgens tal van recentere peilingen is die naïveteit van het Britse volk de laatste jaren sterk afgenomen. De publicist Vernon Bogdanor, docent aan de universiteit van Oxford, voorziet nog in deze eeuw het einde van de 'magische monarchie'. In zijn zojuist verschenen boek over de rol van de monarchie (The Monarchy and the Constitution, Clarendon Press, Oxford, 328 blz.) maakt hij nuchtere kanttekeningen bij het slagzij makende Britse koninklijk huis, dat zijn ontmythologisering naar zijn mening maar ten dele over zichzelf heeft afgeroepen. Met de exposities van hun vuile was hebben sommige leden van de Britse koninklijke familie daaraan zelf zeker bijgedragen, maar ook zonder die persoonlijke strapatsen, meent Bogdanor, zou die ontwikkeling zich hebben voltrokken. “Want de magische monarchie hing overwegend af van psychisch-maatschappelijke reacties, zoals eerbied en ontzag voor autoriteit, en die zijn geleidelijk aan verdwenen.”

De monarchie is niet de enige pilaar van de Britse samenleving die zijn gewijde karakter verloren heeft; ook de overheid, de BBC, de kerk en de universiteiten zijn hun publieke aanzien grotendeels kwijt geraakt. Volgens Bogdanor is het hele Britse Establishment het slachtoffer geworden van de met statusverlies gepaard gaande bezuinigingswoede onder het lange bewind van Margaret Thatcher, die tussen 1979 en 1990 “een welbewuste aanslag heeft gepleegd op de meeste Britse traditionele instellingen”. De monarchie is aan die directe aanslagen weliswaar ontkomen, maar ze kon natuurlijk niet geheel van de rondvliegende granaatscherven gevrijwaard blijven. In zoverre onderging ook de status van het Britse koningschap, aldus Bogdanor, de invloed van het politieke klimaat, dat meer dan tien jaar onder het Thatcherisme heeft geleden.

Zo had de IJzeren Dame het ook gewild: geen enkele instelling, zo vatte zij haar politieke filosofie samen, zou haar bestaansrecht kunnen ontlenen aan de loutere reden dat zij zich al zo lang had gehandhaafd. Thatcher introduceerde haar utilitaire norm: een instelling die haar bestaan niet in klinkende munt of praktisch nut zou kunnen rechtvaardigen, zou moeten sluiten of op z'n minst radicaal moeten worden gereorganiseerd. Thatcher noemde nooit de monarchie, maar haar kaalslag van de verouderde maatschappij zonderde niets daarvan uit, ook Buckingham Palace niet. Dat zou alleen wat later aan de beurt zijn gekomen.

Wat de politieke generaties na Thatcher op dat punt van plan zijn, laat zich moeilijk vaststellen. Ik heb de afgelopen dagen in Londen vergeefs geprobeerd de opvattingen van de drie grote partijen over de toekomstige schaal van de monarchie te achterhalen. Alle officiële woordvoerders hielden zich op de vlakte, evenals de schrijvers van de verkiezingsmanifesten die zich daarover straks moeten uitspreken. Alleen een partijwoordvoerder van Labour liet doorschemeren dat zijn partij na een verkiezingsoverwinning de monarchie zal 'afslanken', zonder te zeggen hoeveel. De socialisten zijn bang hun mond aan het onderwerp te branden en gaan vooralsnog het debat daarover uit de weg. De leider van de Labour Party, Blair, wijdde in het Lagerhuis zelfs geen enkel woord aan het geruchtmakende televisie-interview van prinses Diana, ondanks al haar kritiek op 'het Paleis'. Het probleem is niet alleen dat de tegenwoordige politieke generatie in Engeland geen Crossmannieten meer telt, maar dat de gedoodverfde volgende Labourregering elk republikeins sentiment mist en ook de radicalen Foot, Benn en Dalyell te oud of te vermoeid zijn om nog een vuist te kunnen maken.

De enigen die nog relevante opvattingen hebben over de rol van de monarchie in de toekomst zijn auteurs als A.N. Wilson, Stephen Haseler en Bagdanor (en de schrijvers van het weekblad The Spectator). Wilson en Haseler zijn republikeinen, van wie de laatste vorige week in The Times de variant voorstelde de monarchie af te schaffen en het Huis van Windsor op staatskosten te laten voortbestaan. Bogdanor is een gematigde voorstander van de monarchie, maar hij ziet alleen wat in een sterk geseculariseerde monarchie. Volgens hem kan ze alleen overleven als ze grondig wordt gemoderniseerd, op schaal wordt verkleind, van haar voetstuk komt en losgekoppeld wordt van de staatskerk. Naar zijn mening moet de Britse monarchie een deel van de samenleving worden en naar de onaardse vraag worden beoordeeld: 'Wat levert het Engeland nog op?'