In volle vlucht (2)

Waar was ik gebleven? Ergens tussen Chicago en Budapest, laten we zeggen tienduizend meter boven Halifax. Maar was ik daar? Welnee, ik lag tussen twee onbekende vrouwen, pijnlijk nauwkeurig opgevouwen om ook maar de minste aanraking met een van beiden te voorkomen en elke andere vorm van onwillekeurige aanstoot, zelfs in mijn diepste slaap, te vermijden. Ook al raasde ik met vierhonderd medepassagiers en een voltallige bemanning even onder de geluidssnelheid door het luchtruim, existentieel was het niet ter zake, want zelden had ik een nacht zo onbeweeglijk doorgebracht. Zeg dan tenminste wanneer het was en hoe laat? Ook dat was niet eenduidig vast te stellen. In Chicago was het onmiskenbaar zondagmiddag geweest, de avond was daar nu gevallen, terwijl in Nederland, waar ik uiteindelijk verantwoording dien af te leggen, de ochtend al begonnen was. En ergens tijdens de vlucht, ten Westen van Ierland moet het geweest zijn, passeerden we een zonsopgang, van een zon die Nederland dus al gezien had, een dageraad zoals die zich alleen voordoet op volle zee en boven de wolken, met zilver en parelmoer, vingerende stralen naar alle kanten, en de volle najaarscollectie van hysterisch katholieke kardinaalstinten purper, lila, karmozijn, oud-ketters en Vaticaans roze.

Wij leefden daarboven dus in de algehele onbepaaldheid van tijd en plaats. Het rooster was overgenomen door het cabine-personeel. Dat decreteerde de avond met de uitdeling van het diner en verkondigde de ochtend door de passagiers te wekken voor het ontbijt. De intimiteit was om te snijden. Als mijn buurvrouw zich even wilde vertreden, moest eerst mijn andere buurvrouw zich uit haar fauteuil schuiven, daarop manoeuvreerde ik mezelf achter haar aan het gangpad in en dan pas, met groot vertoon van verlegenheid, kon zij van de raamkant langs ons heen naar het toilet. Ik paste mezelf weer in mijn stoel, mijn linkerbuurvrouw kantelde zich in de hare, we zaten enige tijd te wachten op die van het venster en bij haar terugkeer deden we feilloos in omgekeerde richting de hele pantomime die ik hierboven zo uitvoerig maar nog geenszins volledig beschreven heb, opnieuw met harerzijds woordeloze maar nadrukkelijke blijken van gêne en verontschuldiging en een genereus gemimed 'geeft niets' onzerzijds. Een uur later was de middenman aan de beurt.

Als het zo moet, dan maar liever niet. En dat is de passagiers na verloop van tijd ook aan te zien. Ze houden zich goed. Ja, waarom houden ze zich eigenlijk zo goed? De elementaire-affectpsychologie kan hierin inzicht bieden. Al laten ze dat niet merken, al weten ze het niet eens van zichzelf, al ontkennen ze het bij hoog en laag, vliegtuigpassagiers zijn bang. Dat komt omdat ze niet echt begrijpen dat een vliegtuig vliegen kan. Daar hebben ze groot gelijk in. Wie een beetje inzicht in de materie heeft en eens goed naar zo'n luchtreus kijkt begrijpt onmiddellijk dat een dergelijk gevaarte zich hooguit een meter van de grond kan verheffen en dan als een duif van honderd pond weer neerploft. Dat zo'n Boeing of zo'n Airbus zonder ongelukken en stipt op schema honderden mensen van A naar B vervoert is een belangrijk ervaringsgegeven, maar elementair-affectpsychologisch betekent het weinig. Er zijn zelfs mensen die het kunnen uitleggen: de lucht drukt op ons allen met een kracht van een atmosfeer of daaromtrent. Wat leegte lijkt is in feite bezwarende volte. Mensen en dieren zijn nog weer zwaarder en zijn daarom gezonken tot op de bodem van de lucht. Zo heeft de schepper dat gewild. Door nu in een luchtstroom, zoals de wind, een deel van die weerbarstige lucht aan één kant in een kleine omweg te dwingen, bijvoorbeeld langs een bollend zeil, of langs een ronde vleugelrand, wordt daar de lucht wat ijler en ontstaat aan de andere kant, de platte kant, een overdruk die schip of luchtschip voortdrijft of omhoog stuwt. Een vliegtuig maakt zijn eigen wind motorisch. Een vliegtuig zaait storm en oogst hoogte.

Dat kan wel waar zijn, maar om op die ene bolling met zijn drukverschil je leven in te zetten, dat vergt al te veel vertrouwen in de aerodynamica. Er is meer nodig. Geloof, hoop en vertrouwen in de goede afloop. Men zet zich in zijn stoel en geeft zich over aan een hogere, althans een onbegrepen macht, helemaal zoals dat in sektarische geschriften wordt beschreven. Ik ga daar geen grapjes over maken. Waar het op neer komt is dat mensen zich door de lucht verplaatsen, dat dit geheel en al strookt met de modernste wetenschappelijke inzichten, en in het geheel niet met het gezond verstand en het gevoelsleven van de gemiddelde ervaringsdeskundige of de gewone leek. Ook na honderd jaar luchtvaart niet. De reiziger moet het maar geloven. En dat doet hij dus. En heel de reis is daarnaar ingericht. Al bij het begin wordt een macaber ritueel uitgevoerd, een kleine tempeldans door het cabinepersoneel: mocht onverhoopt dit luchtschip in het ongerede raken, wanhoop niet, maar doe een zuurstofkap voor, blaas een zwemvest op, glij langs de opblaasbaan, drijf rond op uw zitkussen. Dit is de magie van de dubbele ontkenning: een ongeluk is uitgesloten, maar als het onmogelijke toch gebeurt dan gebeurt er dus iets onmogelijks - u wordt gered. De kern van het geloof is iets ongelofelijks, anders hoefde je het niet te geloven, dan wist je het al. Maar de mensen weten het nog steeds niet, en als ze het weten vertrouwen ze het niet, liever zoeken ze houvast bij de technomagie.

Terug in Budapest ben ik mijn gereis meteen weer vergeten. Het is tegen vieren en de zon is al ondergegaan achter de heuvelrug waar ik op uitzie. Opeens verschijnt in de beginnende schemering een lichtend spoor boven de heuvels, een tot draad gesponnen wolk weerkaatst daarboven nog juist de stralen van de zon die hier al onder is. Helemaal vooraan schittert als een naald het vliegtuig dat die streep trekt, op weg naar zee.