Het gevaar van stelen

De hoofdboekhouder van een notariskantoor dat ik om reden van discretie niet bij name noem, had aan de muur van zijn lokaal een ingelijst biljet van tien gulden hangen. Het had voor hem een bijzondere gevoelswaarde. Dit tientje was namelijk symbolisch voor een investering die ten grondslag had gelegen aan een grootscheeps bedrog. Dat was allemaal goed afgelopen. Men had de indruk dat de dader naar behoren was gestraft. Wat bleef was de legende die gesymboliseerd werd door dit tientje aan de muur, achter glas en vastgeplakt op karton.

Toen werd er ingebroken. Kasten opengerukt, bureaus met een breekijzer behandeld, dossiers over de vloer, ravage. Behalve de kleine kas die ƒ87,75 bevatte, viel er niets van waarde te bemachtigen. Het leek wel alsof de inbrekers daarover in steeds groter razernij waren geraakt. Ook een paar potten met plantjes, liefdevol verzorgd door de dames van het secretariaat, hadden het niet overleefd. Tenslotte hadden de inbrekers of inbreeksters - het was wel duidelijk dat die omvangrijke verwoesting niet het werk van één mens kon zijn - het tientje aan de muur ontdekt, het glas gebroken, en geprobeerd het van zijn karton te halen. De lijm was te sterk. Zo hing Frans Hals met gescheurd gezicht in zijn gebroken lijst.

De hoofdboekhouder, een zorgvuldig, zuinig maar ook gevoelig man, liet het geheel opnieuw inlijsten: het kapotte biljet in de oorspronkelijke lijst en daaromheen een nieuw passepartout met een nieuwe lijst. Daar hing het tientje weer, nu als dubbel symbool: van een legendarische oplichterij èn van schuimbekkende hebzucht. Hij had het kunstwerk juist opgehangen toen ik weer eens bij hem binnenliep. Bereidwillig legde hij me uit wat de betekenis van deze gelaagdheid was. Terwijl hij sprak keek ik naar zijn gezicht: een uitdrukking van meewarigheid en verbazing, misschien zelfs een vleugje van verbijstering over de stompzinnigheid van mensen die koste wat het kost dat tientje hadden willen bemachtigen, terwijl de lijst er toch duidelijk op wees dat dit meer dan een tientje was, hoewel deze meerwaarde nooit door iemand kon worden verzilverd.

Even kwam het in me op dat ik hem moest troosten, maar wat doe je in zo'n geval? Je gaat iets vertellen dat even erg is of nog erger en dat destijds een tante of zo-iemand in het naburige buitenland is overkomen. De impliciet gegeven slotsom is dan dat de benadeelde in al zijn ellende nog van geluk mag spreken. Er is een prachtige column van Art Buchwald over dit soort escalatie. Iemand vertelt hem dat een tante (altijd tantes) van de trap is gevallen en een been heeft gebroken. Dan mag ze nog van geluk spreken, zegt Buchwald. Hoezo? Het hadden haar ribben wel kunnen zijn! Ja, maar die zijn ook gebroken! Dan mag ze nòg van geluk spreken! Enz. Ook in het ongeluk heb je bazen en bovenbazen. Dit terzijde.

Ik was al van plan geweest, mijn vriend de hoofdboekhouder te vertellen dat vroeger regelmatig mijn autoradio werd gestolen, waarvoor de dief dan eerst een ruit kapot moest slaan en zijn breekijzer in het dashboard zetten. Schade ƒ1250,- excl. BTW, opbrengst radio ƒ35,-. Maar wat schiet je met de wetenschap van andersmans misère tenslotte op. Gedeelde smart is halve smart: weer zo'n volkswijsheid die het bij nader onderzoek niet uithoudt. Na smart komen vergrotende smart en overtreffende smart. Heeft A zich in zijn vinger gesneden, dan B in twee vingers en C in alle tien.

Dit is een ernstig onderwerp. Het gaat om het positief rendement van de dief en het negatief rendement van de bestolene. Van stelen ben ik een verklaard tegenstander maar er is een soort diefstallen waarvan ik de redelijkheid kan inzien: een vernuftige inbraak bij een bank zoals in Du rififi chez les hommes maar dan met een buit die alleen uit biljetten of goudstaven bestaat. In deze Rififi worden juwelen gestolen en daarmee is er alweer grote kans dat de dief niet alleen iets van materiële waarde meeneemt maar ook andermans herinnering steelt. Een vernuftige inbraak en een diefstal van een niet overdreven bedrag in bankbiljetten of edele metalen of beide heeft voor de dief een positief rendement dat de honderd nadert, terwijl het negatief rendement van de bestolene natuurlijk wel uit een zee van ongemakken bestaat, maar zijn ziel blijft in ieder geval onaangetast.

Het tegenovergestelde is vervat in het verhaal van een inbraak met diefstal dat ik onlangs hoorde. Iemand heeft een jaar of twintig geleden, toen hij vijftien was, ontdekt dat de Rolling Stones de mooiste muziek van alle tijden maken. Hij begint hun platen te verzamelen, gaat naar hun concerten, eerst in Nederland, dan steeds verder weg, neemt zijn opname-apparaatje mee en verwerft zich langzamerhand, met liefde, energie en kennis van zaken, een collectie die geen weerga heeft. Nu komt er, terwijl hij een paar dagen van huis is, een pestgannefje, slaat een ruit in, denkt: Aha, platen! en neemt de verzameling mee. Het positief rendement van de dief nadert tot nul; het negatief van de bestolene is 100.

Wat zal er met die collectie gebeurd zijn? Dat is een vraag die, terwijl ik het slachtoffer niet eens ken, af en toe ook door mijn hoofd spookt. Geen snars verstand heeft de dief van zijn buit, gemotiveerd door niets anders dan de stompzinnigste hebzucht heeft hij zijn hand uitgestoken. Iedere redelijke verhouding tussen waarde en gewin is verdwenen. Daar helpt niets tegen, geen troost, geen vergrotende en overtreffende trap van treurigheid. Ik geloof dat je bij zo'n verhaal - het klinkt niet mooi noch tolerant - het best een beetje kunt delen in de diepe haat die zich van de bestolene moet hebben meester gemaakt. Daarom - zeg ik er bij wijze van opbouwende waarschuwing bij - hebben dergelijke diefstallen niet alleen een slecht rendement; voor de dief kunnen ze ook levensgevaarlijk zijn.

    • S. Montag