Het belang des boekhandels in de nazi-tijd; Zelfbedrog en eigenwaan

JAN SCHILT: Hier wordt echter het belang van het boek geschaad... Het Nederlandse boekenvak 1933-1948 1)

295 blz., geïll., Jan Mets 1995, ƒ49,50

Na vier jaar kwam in juli 1946 de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels, overkoepelende organisatie in het boekenvak, voor het eerst weer bijeen. Het was de 126ste vergadering; aanwezig waren 221 leden.

C. Vrij, secretaris sinds 1940, had een overzicht van dertig bladzijden geschreven, over het wel en wee van de Vereeniging in oorlogstijd. Een feitelijke opsomming was het, zonder een woord over de omgekomen vakgenoten, eindigend in zinsneden vol waarheden: 'Europa bevrijd', 'Nederland herrezen', 'juk afgeschud', 'de zegenrijke arbeid van den wederopbouw'.

Fred von Eugen, directeur van de Amsterdamsche Boek en Courantenmaatschappij, vroeg het woord. Dit verslag, vond hij, wekte de indruk, “dat wij wel erg flink en moedig en heldhaftig zijn geweest. Ik geloof niet dat dit helemaal juist is”. Vollediger ware volgens hem, vast te leggen, “op welke wijze de Joodsche collega's, om te beginnen met zachte drang, uit de bestuursfuncties zijn verdreven, met onze medewerking”.

Hoe treffend deze spreker de spijker op de kop sloeg, valt te lezen in het zojuist verschenen Hier wordt echter het belang van het boek geschaad... Het Nederlandse boekenvak 1933-1948 door Jan Schilt. De schrijver, nu 67, was boekhandelaar en uitgever; de laatste vijftien jaar als directeur van H.J.W. Becht. Hij beschrijft drie vakorganisaties en hun besturen: genoemde Vereeniging, de Nederlandsche Boekverkoopersbond en de Nederlandsche Uitgeversbond. “Het lezen van notulen,” verzekert de auteur ons in zijn inleiding, “is een uiterst boeiende bezigheid, zoals ook het zich verliezen in meters archief.”

Inderdaad, van notulen en archieven kun je zeer opgewonden raken, maar ze kosten tijd. Prachtig dat er mensen zijn, zoals Schilt, die ze voor ons uitvlooien, en ze dan naar eigen inzicht helder samenvatten. Literatuur is hier het lijdend voorwerp, maar Schilt schrijft in een zakelijke, nota-achtige stijl: feiten met toelichting. Een mening moeten we zelf maar vormen. Spannend is het zeker. Zonder haperen las ik het uit, met stijgende woede om wat hij boven water haalde: de verwaande zelfzucht; de ijzige onverschilligheid.

Zonder uitleg zou je van het orgaan van de Vereeniging, het Nieuwsblad voor den Boekhandel, niet veel wijzer worden. “Na een korte ongesteldheid,” meldt het blad op 29 mei 1940, was op 18 mei overleden de uitgever R.I. Leopold. Einde bericht. Op 8 maart had de politie bij de Haagse en Leidse boekhandelaren een boek in beslag genomen: Hitlers eigen woorden. Gesprekken met Hitler over zijn werkelijke bedoelingen, de vertaling van Gespräche mit Hitler, van de gevluchte nazi-renegaat Hermann Rauschning. Uitgever was R.I. Leopold van H.P. Leopold, Den Haag. Schilt noemt de vertalers niet. Dat waren Menno ter Braak en Max Nord.

Van der Goes van Naters (SDAP) stelde Kamervragen. Allerlei NSB-propaganda was overal vrijelijk te koop, voerde hij aan, zoals de grammofoonplaat Wir fahren gegen England. Waarom dan dit boek in beslag genomen?! Minister van justitie Gerbrandy's antwoord, april 1940, werd klassiek. Rauschnings boek bevatte “beleedigingen van het hoofd van een bevrienden Staat”.

Het Nieuwsblad plaatst een bericht uit de NRC van 28 april. Leopold moet op 14 mei a.s. terecht staan. Dat Menno ter Braak eveneens was gedagvaard, staat er niet bij. Hij pleegde zelfmoord op 14 mei; Leopold vier dagen later. In die dagen deden 250 Nederlanders hetzelfde.

Neurenberger Wetten

Om de titel van Schilts boek te verklaren, moeten we terug naar 8 juli 1936, de 119de Algemene Vergadering van de Vereeniging. Bij rondvraag dient uitgever Andries Blitz een motie in. De Rijkspartijdag van de NSDAP te Neurenberg heeft op 15 september 1935 Blutschutzgesetze aangenomen. Joden verliezen hun burgerrechten. Dat schakelt hen zo goed als uit voor het boekenvak. Onder de tien ondertekenaars van de motie tegen deze 'Neurenberger Wetten' zijn J.L. van Tricht, P. Schuhmacher, Nico van Suchtelen, J. Bommeljé, M.A. Reinalda. “Er is in deze motie”, bezweert Blitz in zijn toelichting, “geen sprake van politiek”. “Hier wordt echter”, legt hij uit, “het belang van het boek geschaad.”“Met belangstelling”, verzekert de voorzitter, heeft hij dit alles aangehoord. Hij stelt voor de motie niet in stemming te brengen, noch in behandeling te nemen, want de Vereeniging doet nu eenmaal niet aan 'politiek'. Honderdzeventig leden zijn het daarmee eens, onder wie enkele joden. Het Algemeen Handelsblad meldde dat de motie niet in stemming kwam, omdat iedereen het met de strekking eens was. De Vereeniging eist en krijgt rectificatie.

In 1933, waar Schilt zijn relaas begint, wordt al duidelijk hoezeer de almachtige Vereeniging een bolwerk is van conservatisme. Op Sumatra breekt, wegens loonkorting, muiterij uit op het oorlogsschip De Zeven Provinciën. Op 10 februari laat de regering het schip bombarderen: 23 doden en 14 gewonden. Op een diner, na de Algemene Jaarvergadering van de Boekverkoopersbond, richt voorzitter J. Donner een heildronk aan de koningin, “nu in dezen dagen het gezag zoo werd aangetast”. Spontaan verheffen zich de disgenoten en zingen het Wilhelmus. Slechts de leden D. Pach en J. Bommeljé verlaten woedend de zaal.

Jef Last, secretaris van het Arbeiders-schrijvers Collectief Links Richten, stuurt op 29 mei een 'dringend verzoek' aan de Vereeniging om tegen de Duitse boekverbrandingen te protesteren. “Niet opnemen, politiek buiten de Ver. houden. N.,” schrijft bestuurslid Paul Nijhoff aan de secretaris van het Nieuwsblad. Bruintje Beer Onder het motto 'geen politiek' legt de 116de Algemene Jaarvergadering van de Vereeniging een motie van D. Pach tegen de Duitse barbarij terzijde. Het Nieuwsblad verbiedt boekwinkels werk te etaleren van 'vreemdelingen', dat wil zeggen uitgeverijen zonder erkenning. Exil-uitgeverij Querido-Verlag krijgt erkenning in februari 1934. In november van dat jaar krijgt de nationaal-socialistische uitgeverij NENASU die ook. Wel of geen erkenning verlenen, dat is waarover de Vereeniging zich in de jaren dertig vooral het hoofd breekt. Vroom & Dreesmann bijvoorbeeld, smeekt er herhaaldelijk om. Geen literatuur “naast jaeger ondergoed en kinderhansopjes!” oordeelt de Vereeniging.

Zulks “degradeert het boekenvak.” In 1942 krijgt V&D van de bezetters toch erkenning, omdat ze zoveel Duits-vriendelijk boekwerk verkopen. Andere zorgen in de jaren dertig: de dreigende nieuwe spelling, de handel in 'ontuchtige' uitgaven, de radio die de rust verstoort, “zo broodnodig voor het boek”. De boekhandel mag Bruintje Beer niet verkopen, want het Algemeen Handelsblad is als uitgever niet erkend. Door de jaren heen duikt telkens een zekere Zijfers op, die erkenning begeert van zijn NSB-winkels, De Driehoek, later het Bolwerk, met een filiaal in de Kalverstraat. Die krijgt hij niet, omdat hij ook sigaren verkoopt. Een tragi-komisch verhaal. De Duitse bezetter verleent hem, wegens zijn ijveren voor de verkoop van Mijn Kamp, zijn felbegeerde erkenning, maar in 1944 raakt hij die weer kwijt, wegens homoseksueel gedrag in Duitsland, dat hem zelfs tijdelijk in de nor brengt.

Sinds 1927 is correspondentie gaande met Duitsland over een Abkommen voor een vaste boekenprijs. Voorzitter van de Duitse Börsenverein is sinds 1935 Wilhelm Baur, uitgever van Hitlers Mein Kampf. Hier loopt de vertaling uitstekend: tienduizend in de eerste twee drukken. In rap tempo zet Baur een nazificatie door; hij streeft naar “volledige verwijdering van het Jodendom uit het Duitse boekenvak”. In het Nieuwsblad leest men soms enige bewondering voor de goede organisatie van de Verein. Het bestuur legt een brief terzijde van alweer D. Pach, die op de jaarvergadering van 1936, in navolging van een Engels protest, een resolutie wil indienen over de joodse vakgenoten in Duitsland. Zo'n resolutie, meent het bestuur, is “strijdig met de statuten”.

In een open brief kondigen 47 van de belangrijkste Amerikaanse uitgeverijen in 1937 aan, dat zij niet aanwezig zullen zijn op het aanstaande Uitgeverscongres te Leipzig. Zonder commentaar publiceert het Nieuwsblad de Duitse reactie, volgens Baur niet meer dan een “bedauerndes Lachen und Kopfschütteln”. De Vereeniging stuurt elf afgevaardigden. Wie weet, krijgt dan eindelijk dat Abkommen zijn beslag! Elf maar! Zo maken we, vindt het Nieuwsblad, “een weinig imposanten indruk”!

De Duitsers zijn van plan flink uit te pakken. Déjeuners, diners, concerten, operavoorstellingen; voor de dames tea's en bontmodeshows. Ontvangst in Berlijn bij Goebbels zelf! De daverende manifestatie overtreft de stoutste verwachtingen. Der Rosenkavalier, een 'feeërieke' Fledermaus, champagne, 'bloemenpracht' in het versierde stadhuis van Leipzig. Namens ons land spreekt H. Tjeenk Willink tegen Dr. Goebbels zijn dank uit voor de “grote hartelijkheid en warme vriendschap”.

Circulaire

Bij 'fout-in-de-oorlog', collaboratie met de Duitsers, wordt al gauw gedacht aan het lidmaatschap van de NSB of van de Nederlandsche Kultuurkamer. Maar die laatste instantie trad pas in het voorjaar van 1942 in werking. Direct na de inval was er een verwarrend woud van nieuwe Duitse organisaties. In het nu volgende bedrijf van het drama komt een belangrijk personage voor het voetlicht: I. Noothoven van Goor, directeur van Van Goor Zonen's Uitgeversmaatschappij te Den Haag, ondervoorzitter van de Uitgeversbond na 1933, voorzitter na 1936, voorzitter van de Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels van 1939 tot 1946, lid Commissie van Voorlichting op Leerboeken na 1940.

“Wij kunnen slechts hopen, dat orde en rust terugkeeren of gehandhaafd blijven”, schrijft het Nieuwsblad op 15 mei 1940. De Vereeniging stuurt alle erkende boekhandelaren, uitgevers en leesbibliotheekhouders een circulaire, opgesteld in opdracht van de Duitse Presseabteilung. Alles wat 'Duits-vijandelijk' is, moet in kisten verpakt worden, tot ze worden afgehaald. Verwarring alom over wat daaronder nu precies valt. De Duitsers maken duidelijk, blijkt uit een bestuursvergadering in juli 1940, “dat zij het wel zeer noodzakelijk achten (dat) de Joden geen leidende positie in de Vereeniging innemen”. M.E.H. Warendorf en H.J.W. Becht leggen hun functies bij de Uitgeversbond neer. Andries Blitz, secretaris van de Commissie Hulp voor Verwoeste Boekhandels bedankt als lid. Zijn deportatie zal hij niet overleven. “Op eerlijke loyale wijze” (notulen september 1940) hebben de joden “zich teruggetrokken”. De Duitsers wensen een Keuringsraad voor uitgevers. Noothoven van Goor onderhandelt met de bezetters over reorganisatie.

Tegengeluiden zijn hoorbaar. “Laat ons geen menschen uitstooten; laat ons dit aan den bezetter overlaten”, vindt de Haarlemse uitgever en SDAP'er M.A. Reinalda. “Waarom zouden wij plus royaliste que le roi moeten zijn?” “Laat ons hopen, dat uit de puinhopen het nieuwe en betere groeien en bloeien zal,” oreert voorzitter Noothoven van Goor op de Algemene Ledenvergadering van 12 augustus, geheel in de geest van de nieuwe tijd. Kosmos adverteert met Wat en hoe moet ik het zeggen in het Duitsch en Meulenhoff meldt dat zij “een groot magazijn van courante Duitsche boeken” heeft.

Noothoven van Goor zit in een commissie Leerboeken, met medeleden die later als 'fout' te boek staan. Leerboeken mogen “geen loftuitingen” meer bevatten aan het vorstenhuis en andere 'deutschfeindliche' zaken. Een moeilijk punt is het 'ariseren' van schoolboeken, “geschreven door meer dan één auteur”, aldus de commissie. De Duitsers eisen, eind 1940, een lijst in tweevoud van 'niet-arische' firma's. Per omgaande antwoordt de Vereeniging, in smetteloos Duits, dat zo'n lijst niet voorradig is maar dat zij zo spoedig mogelijk alle in aanmerking komende zaken een formulier zal toesturen. “Wir beeilen uns.” Het Dagelijks Bestuur maakt een concept dat verder gaat dan de Duitse eisen, verlangt de namen van firmanten en directeuren en stelt de vraag: “Kunnen Joden op andere wijze (welke?) invloed in Uw bedrijf uitoefenen?” Men zal de vragenlijst in viervoud vervaardigen; één exemplaar voor de geadresseerde, één voor de Vereeniging en twee voor het Referat Schrifttum. Eén formulier komt blanco retour, “van een lid”, met rode potloodpijlen naar een opgeplakte sticker: “RASSENHAAT is ONchristelijk, ONmenschelijk, ONnederlandsch!” Binnen komen 55 ingevulde formulieren. Noothoven van Goor wil het Rijkscommissariaat vragen om bij 'ariërisering' (sic) een vakgenoot aan te stellen als 'Treuhänder'.

Voorjaar 1942 sturen enkele leden van de Vereeniging een aansporing rond om in navolging van het kunstenaarsprotest tegen de Kultuurkamer, het lidmaatschap op te zeggen, “Maar doe het Vandaag!” De vernederingen, zegt de circulaire, zijn nu wel genoeg geweest. Collega's zijn gevangen gezet, gedeporteerd en zelfs gedood. Joden zijn verwijderd, zaken geliquideerd. “Ongure individuen” zijn binnengedrongen. “Wij waren reeds op een hellend vlak.”

Negen leden bedanken. In maart 1942 legt het Nieuwsblad uit, hoe de vakgenoten zich moeten melden voor het Letterengilde. Als in april 1943 de nazi-uitgever van De Schouw, A.D. Oosthoek, kersvers lid van de NSB, zich op het kantoor van de Vereeniging namens het Letterengilde installeert met de portretten van Hitler en Mussert, begrijpt het bestuur, dat het niet veel meer in te brengen heeft. Uitgevers maken nu plannen voor na de oorlog. Het demissionaire verenigingsbestuur vergadert in 1944 zowaar clandestien.

Na de bevrijding stapelt gotspe zich op gotspe. Notulen en vakbladen zwijgen verreweg de meeste omgekomen collega's eenvoudig dood. In juli 1945 zit er weer een Bestuur van de Vereeniging, dat beslist over erkenning en schorsing. Voorzitter is de onvermijdelijke Noothoven van Goor, die in 1947 erevoorzitter wordt(!); Tjeenk Willink (die Goebbels zo hartelijk toesprak) wordt erelid. Op 300 vakgenoten na zijn allen lid geweest van de Kultuurkamer. Bruna wordt niet aangerekend dat hij in 1943 15.000 exemplaren van Roothaerts omstreden De Vlam in de Pan aan Volksvoorlichting en Kunsten stuurde, bestemd voor het Nederlandse Vrijwilligerslegioen aan het Oostfront.

Vijftig jaar na dato liggen de dossiers van de gezuiverde bedrijven in de kluis van de Vereeniging, en zijn niet ter inzage. De vraag of die Zuivering wel zuiver was, of ingegeven door “haat, afgunst, bedrog, nijd en eigenwaan” zoals Werumeus Buning het uitdrukte, is bijna retorisch. Opgedoken joodse boekhandelaren, zoals Robert Premsela, willen hun erkenning terug, maar krijgen die aanvankelijk niet, “omdat zij geen winkel hebben”. Grote ontstemming wekt de voormalige verzetsuitgeverij De Bezige Bij, onschatbaar levensredder van joodse kinderen. Deze vrolijke jonge-hondenclub bezet een NSB-uitgeverij en enkele 'Volksche' boekhandels. De commissie Handelsverkeer doet haar beklag bij Burgemeester, politie en Binnenlandsche Strijdkrachten.

Bezige Bij-directeur Lubberhuizen bekommerde zich in de oorlog niet om boekhouding, en krijgt voorlopig geen uitgeverserkenning wegens “financiële malversaties”. Ook wijst de commissie het verzoek om erkenning af van Wim Polak, de latere wethouder Kunstzaken van Amsterdam, een van de moedigste verzetsmensen, omdat hij in bezettingstijd optrad als niet-erkend uitgever!

Na het ademloos uitlezen heb ik wel kritiek op Schilts boek. Een volledig namenregister ontbreekt. En dan: hij eindigt zijn relaas met het Boekenbal van 1948. J. Slauerhoffs toneelstuk Jan Pietersz. Coen zou het opluisteren. Zes dagen tevoren verbood burgemeester d'Ailly het stuk. d'Ailly, overigens een muzisch, belezen mens, vond het niet tactvol en niet feestelijk, juist op zo'n avond “nu na moeizame onderhandelingen een overeenkomst tussen Nederland en Indonesië is tot stand gekomen”, een acteur op het toneel, als J.P. Coen, “iedere dode inlander is een vijand minder” te laten declameren of: “de bruine, dierlijke naaktlopers”.

“Censuur”, heet het in dit boek - ach ja, maar in het licht van het voorafgaande is het een onbenullige affaire. Schilt had dit met meer distantie moeten beschrijven of moeten weglaten. Het heeft niets met zijn eigenlijke onderwerp te maken en doet afbreuk aan dit belangrijke relaas.

1) Onder dezelfde titel heeft Jan Schilt in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam, Singel 425, een tentoonstelling ingericht, die tot 31 januari 1996 is te bezichtigen. Openingstijden dinsdag t/m vrijdag 9.30 tot 13.00 uur, en op afspraak, 020-5252056. Toegang gratis.

    • Lisette Lewin