Herdenken als stijlfiguur

FRANK VAN VREE: In de schaduw van Auschwitz. Herinneringen, beelden, geschiedenis

207 blz., geïll., Historische Uitgeverij 1995, ƒ42,50

CHRIS VOS: Televisie en bezetting. Een onderzoek naar de documentaire verbeelding van de Tweede Wereldoorlog in Nederland

343 blz., Verloren 1995, ƒ63,-

In 1949 al schreef Eddy de Wind, psychiater en overlevende van Auschwitz, dat de Nederlandse bevolking, na een aanvankelijke hevige interesse, verzadigd was geraakt van verhalen over de oorlog. Hij zou met die bittere constatering langdurig gelijk krijgen. Aan de verliezen en aan het feit dat Nederland zijn joodse burgers niet had weten te beschermen, wilde het vaderland bij zijn fiere wederopbouw niet worden herinnerd. In het mentale klimaat van de jaren veertig en vijftig (in feite tot halverwege de jaren zestig) golden zwijgen en 'flink zijn' als de beste remedie. Ook woedde inmiddels een nieuwe - koude - oorlog en waren de bondgenootschappelijke kaarten grondig geschud. Bovendien hadden we nog geen televisie.

Die stilte kan men zich nu bijna niet meer voorstellen. Alleen al in dit jubileumjaar was er een stortvloed aan informatie en herinneringen. Welhaast elk museum wijdde in mei een tentoonstelling aan een aspect van de bezettingstijd en het was fysiek onmogelijk alle uitgezonden televisieprogramma's te bekijken. Maar ook zonder het topjaar 1995 vormden de veranderingen die zich sinds 1945 voordeden in de openbare herinnering al stof tot historische studie. Niet wat er in de periode 40-45 is gebeurd, maar hoe wij ons dat tijdvak nadien herinnerden, vormt op dit moment voer voor geschiedkundigen. De afgelopen maanden alleen verschenen twee, deels elkaar overlappende studies over de lotgevallen van ons nationale geheugen: Televisie en bezetting, een proefschrift van Chris Vos over televisiedocumentaires, en In de schaduw van Auschwitz, een bundel essayistische studies van Frank van Vree, die behalve film en televisie ook de ontstaansgeschiedenis van een aantal monumenten onderzocht.

Wie de collectieve herinnering aan de oorlogsjaren wil bestuderen, moet zich een weg banen door een berg aan materiaal. Zelfs wanneer je, als Vos en Van Vree, vooral de zichtbare uitingen van het herinneringsproces analyseert en de individuele emotionele beleving buiten beschouwing laat. Nederland kent onderhand, zoals Van Vree opsomt, meer dan tweeduizend gedenktekens, ongeveer duizend documentaires, bijna eenzelfde aantal romans en kinderboeken, een paar dozijn speelfilms en toneelstukken plus nog ontelbare gedichten, tekeningen en schilderijen.

Het Verzet

Vos vermeldt eveneens indrukwekkende aantallen. Zijn inventarisatie van tussen 1951 (toen de tv begon) en 1990 vervaardigde televisiedocumentaires over de bezetting bestrijkt vijftig bladzijden. Ruim een derde van alle historische documentaires over Nederland, en vanaf 1980 in 'lustrumjaren' zelfs meer dan de helft, was gewijd aan de Tweede Wereldoorlog; en dan hebben we het nog niet eens over speelfilms en televisiedrama. Overigens begon de periode van het grote zwijgen in de filmdocumentaires al in 1947, nadat in de eerste twee jaren na de oorlog juist veel films over de bezetting waren gemaakt, die bovendien een groot publiek trokken. De wisselingen in de openbare oorlogsherinnering waren evenwel niet louter kwantitatief. Het ging niet alleen om een eb en vloed van zwijgen en spreken, maar ook om verschuivingen in onderwerp en benadering. Zowel Van Vree als Vos laat zien dat in de eerste decennia het collectieve geheugen werd gedomineerd door een nationaal of zelfs nationaal-christelijk beeld, waarin 'Het Verzet' centraal stond. Het beeld was er een van een geschonden natie die dank zij haar geestelijke weerbaarheid standhoudt. Om koningin Wilhelmina te citeren: “Despereert niet. Nederland zal herrijzen!” Een land waarvan de bevolking met uitzondering van de wezensvreemde NSB 'goed' was. Het was precies dit beeld dat geschetst werd in de televisieserie De Bezetting

waarmee in mei 1960 de oorlog zijn rentree maakte, niet alleen in het openbare leven maar eveneens in Hollands knusse a-politieke huiskamer. Vanachter zijn bureau frontaal de camera inkijkend, opende dr. L. de Jong, de reeks met de typerende tekst: “In die twee woorden, 'de bezetting', daar is alles in samengevat: het overweldigd zijn, en de druk, en ons verzet.”

Wat echter in die twee woorden niet werd samengevat was de moord op 102.000 Nederlandse joden. En derhalve vragen naar het falen van de natie; naar hoe zo'n catastrofe kon geschieden; naar de Nederlandse collaboratie; naar de rol van de vaderlandse elite, ambtenarij en politie; en de vraag naar de psychische gevolgen van vervolging en verzet. In het nationale perspectief stond heldendom centraal en niet slachtofferschap. Herrijzenis en niet nederlaag. Krachtdadigheid en niet slapheid. Eenheid en niet verscheidenheid.

Wat terugkijkend op de naoorlogse jaren vooral opvalt, is het ontbreken van rouw. Het leed om alle verloren geliefden, familie, vrienden, kennissen en buren lijkt te zijn bezworen door de telkenmale herhaalde frase dat het niet vergeefs was. Zelfs in de enige film waarvan je zou kunnen zeggen dat die een oorlogstrauma tot onderwerp had, De dijk is dicht (1949), volgt het genezingsproces de toenmalige mentale receptuur: een jongeman, gekweld door herinneringen aan zijn op Walcheren omgekomen vrouw, keert terug naar het eiland, ziet hoe daar gewerkt wordt aan de wederopbouw en beseft: “Het leven gaat door.” Wèg verlammende gedachten.

Schok

Soortgelijke codes beheersten de moeizame oprichting van een aantal oorlogsmonumenten, zoals Van Vree in een van zijn beste hoofdstukken aantoont. Er werden meteen na de bevrijding zeer veel plannen gemaakt voor gedenktekens (te veel, naar de smaak van de overheid), een betrokkenheid die net als in de filmwereld eind jaren veertig wegebde. Beeldhouwers werden voor de opgave gesteld aansprekende beelden te ontwerpen, waarin zowel leed en verlies als patriottische opoffering, geestelijke kracht en triomf werden uitgedrukt, en liefst niet te abstract. In de uiteindelijke besluitvorming, zo blijkt uit de juryrapporten van de commissies die de beeldenvloed moesten reguleren, won vastberaden toekomstgerichtheid het van verdrietig terugzien. De keuze voor Fred Carasso's koopvaardijmonument in Rotterdam is hiervan een voorbeeld. Waar het in alle uitingsvormen van het collectieve geheugen van die eerste decennia op neer komt, concludeert zowel Van Vree als Vos, is dat de slachtoffers, en vooral joodse slachtoffers ontbraken. En in beider analyse fungeert de televisieserie De Bezetting als de sleutel. De Jongs 'monument', zoals de pers het produkt direct al noemde, vormde het culminatiepunt van de nationaal-getinte oorlogsherinnering. Aan dat monumentale karakter werd in hoge mate bijgedragen door de vorm. De serie is gebouwd rond een historicus- explicateur wiens verhaal ons vertrouwen inboezemt door het gezag van zijn positie. Getuigen dienen slechts om het betoog, dat steeds zijn betoog blijft, te illustreren. Anders dan in latere oorlogsdocumentaires wordt het verhaal niet opgebouwd via hun spontane herinneringen, maar leggen zij keurig een vooraf opgestelde verklaring af. En 'foute' getuigen werden helemaal niet vertoond. Toch bracht De Jongs aflevering over de jodenvervolging (op 3 mei 1962 uitgezonden, en herhaald in 1966, een jaar na Jan Pressers ophefmakende Ondergang) een schok teweeg - zozeer waren de feiten in het collectieve geheugen weggezakt. Ook veranderde De Jong voorgoed de manier waarop het nieuwe medium aandacht besteedde aan de oorlog. Zoals Vos schrijft: in de eerste jaren waren er hooguit herdenkingsprogramma's - plichtmatig en ritueel; van persoonlijk getinte speurtochten en kampdocumentaires, genres die na 1972 in zwang raakten, was geen sprake.

De Bezetting veroorzaakte bovendien een omwenteling in de maatschappelijke waardering van de televisie. Tijdens de eerste vertoning van de serie tussen 1960 en 1965 was tv nog geen gemeengoed. De zendtijd steeg in deze jaren van 11 uren per week op één net naar ruim 50 op twee netten. In intellectuele kring werd nog op het 'kastje kijken' neer gekeken. De Jong echter, die een groot publiek trok (zeker met de herhaling in 1966), bewees dat tv bij uitstek geschikt was voor het op indringende wijze overdragen van informatie.

Stijlbreuk

Ook in de aandachtsverschuiving van het nationale perspectief naar dat van de slachtoffers, die zich vanaf de jaren zeventig begon af te tekenen, was televisie van grote betekenis. In 1972 bijvoorbeeld werd Nederland plotsklaps geconfronteerd met het feit dat nog velen leden onder een 'oorlogstrauma' (een woord dat toen nog onbekend was). In een live televisie-uitzending werd getoond hoe het voorstel van minister van justitie Van Agt om de 'Drie van Breda' vrij te laten, wegspoelde door een golf van emoties van voormalige vervolgden en verzetsmensen. Kort daarvoor was, na veel aarzeling en tegen druk van de regering in, de film Begrijp je nu waarom ik huil? uitgezonden, Louis van Gasterens verslag (uit 1969) van een behandeling door prof.dr. J. Bastiaans van een patiënt met een concentratiekampsyndroom. De gevolgen waren immens. Kamerleden herzagen hun oordeel, de publieke opinie verschoof van voor naar tegen vrijlating; telefonische tv-nazorg deed zijn intrede. Een jaar later opende Centrum 45, gespecialiseerd in de behandeling van oorlogstrauma's, zijn deuren. Ook de opwinding rond de diverse 'affaires' (Menten, Aantjes) die in de jaren zestig en zeventig ons oorlogsverleden opnieuw in het brandpunt van de belangstelling plaatsten, werd door televisieverslaggeving aangezwengeld (de commotie rond de verloving van Beatrix met Claus in 1965 ontbreekt in beide boeken). En het was eveneens een tv-programma, Vastberaden maar soepel en met mate (VPRO, 1974), dat zichtbaar maakte welke grote politieke en culturele veranderingen zich sinds midden jaren zestig hadden voltrokken. De relatie tussen het establishment van voor en na '45 werd aan de kaak gesteld (waarbij vooral minister-president De Quay, voormalig lid van het Driemanschap van de Nederlandse Unie, het moest ontgelden), en de medeplichtigheid van op het eerste gezicht fatsoenlijke Nederlanders.

De uitzending vormde ook een stijlbreuk. Niet langer had de vakhistoricus de waarheid in pacht en stonden de data van militaire evenementen centraal, het ging nu om het tamelijk alledaagse leven van tamelijk alledaagse mensen die door hun tv-verschijning bijzonder bleken. Directe interviews, over eigen ervaringen, verleenden in combinatie met historisch archiefmateriaal de nieuwe audiovisuele geschiedschrijving een eigen authenticiteit. Het nationaal-gekleurde perspectief bleek binnen een paar jaar aan gruzelementen gevallen.

Toch moet in de ontwikkeling van zwijgen naar spreken en van natie naar slachtoffers de invloed van televisie niet worden overschat, zoals Vos terecht onderstreept. De tv biedt de mogelijkheid verhalen en emoties van 'gewone mensen' direct en daardoor vaak aangrijpend de huiskamer in te sturen. Maar de groeiende belangstelling daarvoor maakte deel uit van een bredere maatschappelijke ontwikkeling. Die ontwikkeling, die bij Vos en Van Vree maar mondjesmaat aan de orde komt, is te kenschetsen als een democratisering en differentiëring van de geschiedenis en een emancipatie van de emotie. 'Zich uiten' steeg in onze mentale waardenschaal boven 'zich inhouden'; de compassie met slachtoffers in het algemeen nam toe; en de interesse voor de specifieke historische belevingen van allerlei bevolkingsgroepen beleefde een ongekende bloei (evenals omgekeerd de behoefte om het 'eigen' verleden voor het voetlicht te brengen). Toetssteen

In het monumentenbeleid zien we dit terug. Vanaf ongeveer 1970 verkreeg een reeks 'categorieën', zoals dat ambtelijk heet, zijn 'eigen' monument: getroffenen uit Nederlands-Indië; vrouwen van Ravensbrück; homo's; zigeuners.

Zelfs monumenten waarmee de vervolgde joden worden herdacht, kwamen pas laat tot stand. De gemeente Amsterdam bijvoorbeeld traineerde jarenlang de oprichting van een joods gedenkteken omdat men niet, zoals de bezetter, onderscheid wilde maken tussen joden en niet-joden.

Inmiddels is de omslag voltooid. De systematische uitroeiing van een complete bevolkingsgroep, inclusief vrouwen, kinderen, baby's, zieken en bejaarden, wordt niet alleen in Nederland erkend als de kern van wat de Tweede Wereldoorlog was. Auschwitz is, zoals Vos en Van Vree zeggen, onze ultieme morele toetssteen geworden, en soms helaas ook een toetssteen van politieke correctheid.Daarmee wordt ook de vormgeving van de herinnering voor nieuwe opgaven gesteld. Discussies daarover begonnen al meteen met de eerste produktie waardoor het publiek zich massaal ging identificeren met de joodse slachtoffers: de tv-serie Holocaust (in Nederland vertoond in 1979). Volgens critici werd in Holocaust de genocide uitgebeeld als soap, een verwijt dat onlangs opnieuw te horen was over Spielbergs film Schindler's List. Tegenover de personages van Holocaust waren in Lanzmanns Shoah (bij ons in 1986 te zien) de rails de hoofdrolspeler. Hier voeren de slachtoffers het woord zonder dat een poging wordt ondernomen het onzegbare ook uit te beelden. Series zoals Holocaust maken identificatie mogelijk op een schaal die via het geschreven woord moeilijk haalbaar is. Maar wordt de absolute verontmenselijking daarmee niet gevulgariseerd en geromantiseerd en dus vervalst en ontkend? Of is elke uitbeelding toch tevens een strijd tegen een autistische houding waardoor wat is gebeurd per definitie onoverdraagbaar en onbegrijpelijk heet? Is het wel mogelijk een collectieve herinnering aan de unieke catastrofe 'Auschwitz' vorm te geven? Past ons wel enig ander gedenkteken dan een namenlijst? Deze vragen rijzen in beide boeken, maar de auteurs laten in het midden of ze misschien in essentie onbeantwoordbaar zijn, en zelfs zo langzamerhand door de vele herhalingen aan slijtage onderhevig. Of zou het zo zijn dat in de debatten over deze onbeantwoordbare kwesties juist ons toekomstig collectieve geheugen wordt gevormd?

Behalve dat ze dit soort vragen aan de orde stellen, bevat zowel Televisie en Bezetting als In de schaduw van Auschwitz een schat aan informatie. Beide boeken zijn dan ook lezenswaardig. Maar er is op beide ook wel een en ander aan te merken. Het werk van Vos behandelt een smakelijk en herkenbaar onderwerp: de televisie-hoogtepunten van de afgelopen dertig jaar. Het is echter wetenschappelijk gezien oppervlakkig en slecht geschreven (het had pagina's gescheeld als iemand alle keren de zinsnede “voor wat betreft” had geschrapt). In de schaduw van Auschwitz is degelijk en diepgravend en in tegenstelling tot het boek van Vos voorzien van vele foto's. Meer dan Vos heeft Van Vree een sociologisch oog voor de conflictueuze kant van de geschiedenis van het collectieve geheugen. Helaas neigt Van Vree iets te veel naar modieuze termen (zoals de 'textuur' en het 'discours' van de herinnering), en zijn slothoofdstuk is te zeer een postmoderne geloofsbelijdenis. Allebei de boeken hadden aan kracht gewonnen als de auteurs wat meer de betekenis van mentale veranderingen hadden geanalyseerd. Bijvoorbeeld dringt zich de vraag op of de hiervoor geschetste ontwikkeling van erkenning van de jodenmoord via het trauma, niet een boemerang kan blijken. Als zelfs evacués van een dreigende dijkdoorbraak al worden voorzien van een psychotraumatoloog loopt de democratisering van het slachtofferschap dan niet uit op een nieuwe verwatering van de betekenis van 40-45?

    • Jolande Withuis
    • Jolande Withuis is sociologe