Geluk is handel; Hoogleraar biologische psychiatrie R.H. van den Hoofdakker

Prof. dr. R.H. van den Hoofdakker, ook bekend als de dichter Rutger Kopland, nam deze week afscheid als hoogleraar biologische psychiatrie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Waarom koos hij destijds voor de psychiatrie en niet voor de letteren? En welke positie nam hij in tijdens de woelige discussies onder psychiaters? Pillen of praten? “De biologische psychiater dreigt een drogist te worden.”

Psychiatrie, daar zouden we het vandaag over hebben. Maar eenmaal in de achtertuin beland van zijn huis, overgoten door een gouden herfstzonnetje, zie ik een schriel boompje en móet ik hem wel vragen: “Is dat dé appelboom”? Hij knikt. “Maar hij is in de laatste storm gehalveerd. Een boomchirurg heeft hem moeten redden.”

Alsof dat boompje al niet dertig jaar geleden voorgoed gered werd in zijn gedicht 'Onder de appelboom' met die klassiek geworden laatste regels:

gelukkig kwam er iemand naast mij

zitten, om precies te zijn jij

was het die naast mij kwam

onder de appelboom, zeldzaam

zacht en dichtbij

voor onze leeftijd.

Deze week hield Rudi van den Hoofdakker zijn afscheidscollege als hoogleraar biologische psychiatrie aan de universiteit van Groningen. Hij is 61 jaar en hij had langer door mogen gaan, maar hij kon het niet meer opbrengen. “Ik heb een half jaar geleden een by pass-operatie ondergaan. Dat deed de deur dicht. Ik werkte te hard, had een dubbele dagtaak. Onderwijs, bestuurlijke taken, patiëntenzorg - het werd te veel. Ik blijf nog wel een paar dingen doen, zoals het begeleiden van promovendi en het voorzitterschap van de 'Groningen Graduate School for Behavioral and Cognitive Neurosciences'.”

We praten in zijn stenen werkschuur achter de voormalige kippenboerderij die hij in het landelijke Glimmen - vlak onder Haren - bewoont. Weilanden voor zijn deur, een ruige tuin van tweehonderd meter achter zijn schuur - tot aan de spoorlijn Groningen-Assen. Het is niet vreemd dat er zoveel vee en gras in zijn poëzie voorkomt.

Hier woont hij sinds 1962. Er brak daarna een periode aan waarin hij promoveerde aan de Groninger universiteit en debuteerde - in 1966 - als dichter.

U heeft uw dichterschap en uw wetenschappelijke carrière altijd streng gescheiden. Waarom?

“Poëzie is net als wetenschap een produkt van onze creativiteit, maar de poëzie heeft een eenmalig resultaat en is aan die ene persoon gebonden die het volgens een heel particuliere methode gemaakt heeft. Wetenschap moet iets maken dat toetsbaar is, iedereen zal hetzelfde vinden als hij een bepaalde wetenschappelijke theorie of methode hanteert. Je kunt moeilijk zeggen: de relativiteitstheorie is typisch Einstein.

“Als ik poëticale technieken zou gebruiken in mijn psychiatrie, of andersom, dan wordt het geen psychiatrie en geen poëzie, maar een rommeltje.”

Heeft u als wetenschapper nooit - zoals W.F. Hermans in Groningen - hinder ondervonden van uw literaire ambities?

“Nee, het wordt zelfs op prijs gesteld dat ik dichter ben. De tijden zijn wat dat betreft misschien ook wel wat veranderd. Ik heb destijds een pseudoniem gekozen omdat ik betwijfelde of het wel zo verstandig was om je als dichter te manifesteren, terwijl je aan een proefschrift werkte. Ik vond het een beetje griezelig om me op die manier bloot te geven. Achteraf was dat pseudoniem niet nodig geweest.”

“Ik voel me nog steeds import”, zegt hij.

Merkwaardig, want hij heeft bijna zijn hele leven in het Noorden gewoond. “Elke keer als ik in het Westen kom, denk ik: dit is het land waar ik vandaan kom. Mijn hele familie komt uit Zuid-Holland. Er is maar één grootvader - de vader van mijn moeder - die uit Friesland komt, hij was de zoon van een jood. Ons gezin is vijf jaar na mijn geboorte in het Twentse Goor naar Bussum verhuisd. Daar heb ik tot mijn elfde op school gezeten, een indrukwekkende tijd: de oorlogsjaren. Aan die periode bewaar ik mijn levendigste jeugdherinneringen.

“Ik kom uit een nogal ingewikkeld milieu. De achtergronden van mijn ouders waren heel verschillend. Mijn vader heeft zich opgewerkt van gasfitter tot directeur van het gemeentelijk energiebedrijf in Steenwijk. Iedere verhuizing hield verband met een promotie. Na Bussum gingen we naar Assen waar ik het gymnasium heb gevolgd.

“Zeker voor mijn moeder was het vanzelfsprekend dat ik ging studeren. Het heeft haar altijd erg gestoken dat ze zelf niet mocht studeren. Haar vader was hoofdonderwijzer en dus moest zij ook onderwijzeres worden. Haar broer mocht wel studeren en werd hoogleraar.”

Waarom koos u voor de geneeskunde en niet voor de letteren?

“Het had ermee te maken dat de leraren op mijn gymnasium nauwelijks inspirerend waren. De meesten liepen tegen het pensioen en hadden het wel gezien. Er was zelfs een leraar die soms letterlijk zat te slapen voor de klas. Mijn leraar Nederlands was een historicus die meer in geschiedenis dan in literatuur was geïnteresseerd. “Er was niet één vak dat mij in het bijzonder boeide. Ik ben geneeskunde gaan studeren omdat andere jongens dat ook deden. Bovendien, wat kon je met letteren doen? Een lerarenbestaan trok mij absoluut niet. Achteraf zeg ik: biologie of linguïstiek - waarvoor een van mijn dochters heeft gekozen - zou óók interessant zijn geweest. “Mijn moeder had het liefst gezien dat ik dominee was geworden. Ons gezin was hervormd, maar niet al te streng: ik heb het hervormde milieu nooit als een grote belemmering in mijn leven gezien. Ik heb een tijdje overwogen om zendelingarts te worden, want dan kon ik de geneeskunde combineren met het verkondigen van het woord. Maar die ambitie heeft maar kort geduurd.”

Wat trok u aan in de psychiatrie?

“Ik ben tijdens mijn artsenstudie geinspireerd geraakt door de colleges psychiatrie en neurologie. Ik ben bij de psychiatrie terechtgekomen omdat het over mensen ging. Wat dachten ze, wat voelden ze, wat wilden ze? Daar kreeg ik het wetenschappelijke instrumentarium aangereikt om in de ziel door te dringen en de defecten op te sporen. Dat sloot ook aan bij mijn belangstelling voor literatuur en voor het theater.”

Wist u al vroeg dat u schrijver wilde worden?

“Zeker. Er was een duidelijke ambitie om te schrijven, vooral verhalen. Al op de middelbare school stond ik bekend om mijn vrolijke opstellen. Ik moest opstellen schrijven om feestjes op te luisteren.”

Pillen of praten?

Een onuitroeibaar schisma, noemt hij die eeuwige strijd in de psychiatrie. Er is een biologische visie die al het afwijkende gedrag toeschrijft aan een ziek brein. Dé remedie: medicijnen. Daar tegenover staat de psychosociale visie die afwijkend gedrag in verband brengt met iemands motieven en omgeving. Volgens die visie kan er het best met allerlei praat- en gedragstherapieën gewerkt worden.

Van den Hoofdakker heeft altijd een tussenpositie ingenomen, ook al is hij een biologisch psychiater. Pillen èn praten dus. In zijn afscheidscollege 'De biologie van het geluk' spaarde hij de collega's in zijn specialisme niet.

Citaat: “Biologische psychiaters kortom zijn produkten en producenten van een politieke cultuur, een cultuur die tegenwoordig 'no-nonsense' wordt genoemd, een cultuur m.a.w. van afnemend sociaal bewustzijn, afnemende solidariteit en toenemend egoïsme, waarin mensen als Pronk worden gemarginaliseerd en mensen als Bolkestein geadoreerd. Geluk is handel, de beste reclame is dat geluk biologisch is, de biologische psychiater dreigt een drogist te worden.”

De psychiater in de greep van de farmaceutische industrie?

Hij knikt. “Sommigen wel, denk ik. Er wordt wereldwijd zeer veel onderzoek gedaan met sponsoring door de farmaceutische lobby. Er zijn hoogleraren die zich laten betalen om met hun prestige bepaalde middelen aan te bevelen. Met hun wetenschappelijke propaganda-boodschappen voor psychiaters reizen ze de wereld af naar onbelangrijke congressen. Er zijn psychiaters die zich met hun echtgenote naar die congressen op ondermeer de Bahama's en Hawaii laten vervoeren en vervolgens nauwelijks in de congreszaal komen. Snoepreisjes betaald door de lobby.”

“Mijn conclusie is”, schrijft hij in de inleiding van zijn rede, “dat het hedendaags biodenken lijdt aan twee fundamentele zwakten: vraatzuchtig reductionisme en biologisch simplisme. Het vraatzuchtig reductionisme is een nette omschrijving van het idee dat wij menselijk geluk kunnen verklaren vanuit de kennis van elementaire lichamelijke processen. Met biologisch simplisme bedoel ik de armoedige gedachte dat geluk een produkt is van ons hoofd en niet van een interactie van dat hoofd met een buitenwereld.”

U schrijft dat de biologische psychiatrie weer biologisch moet worden in de ware zin van het woord. Wat bedoelt u daarmee?

“Biologisch noem ik de gedachte dat levende mechanismen interacteren met hun omgeving. Dàt is de fundamentele kwestie. Dat is ook het punt waarop ik steeds van mening heb verschild met Herman van Praag, mijn leermeester en voorganger in Groningen. Ik heb respect voor hem. Hij wijst altijd weer op het belang van psychologische en sociologische benaderingswijzen. Desondanks blijft hij mijns inziens denken dat gedrag uiteindelijk door een fysische machine wordt geproduceerd - in plaats van door de interactie van die machine met de omgeving. Als biologie alleen wordt opgevat als kennis van de moleculen waaruit het zenuwstelsel is opgebouwd, is het voor mij geen biologie meer.”

Ik breng het opzienbarende tv-optreden ter sprake van zijn collega prof. dr. R. Kahn, hoogleraar psychiatrie in Utrecht en tevens hoofd Psychiatrie van het Academisch Ziekenhuis aldaar. Een man die zichzelf in het programma Opgenomen van Paul Witteman schilderde als iemand wiens karakter zich niet leent voor urenlange gesprekken met patiënten: “Eerlijk gezegd heb ik daar te weinig geduld voor.” Ook Kahn is een discipel van Herman van Praag, die inmiddels zelf hoogleraar psychiatrie aan de Rijksuniversiteit Limburg is geworden.

Kahn toonde zich uiterst optimistisch over de behandeling van depressies met medicijnen en electroshocks. Bij 'een normale, ongecompliceerde depressie' garandeerde hij een genezingskans van 80 à 90 procent. Shocks vond hij de meest effectieve behandeling van depressies. Van den Hoofdakker, een tikje grimmig: “Witteman wilde dat ook allemaal graag van hem horen, dat kon je duidelijk merken. Ik vind dat Kahn knap polariserend bezig is. Ik heb het ook al in mijn recente essaybundel De mens als speelgoed gezegd: ik ben geschrokken van zijn inaugurele rede.

“Er zitten twee kanten aan deze zaak. Door de polarisatie tussen 'praters' en 'pillenverstrekkers' is er een situatie ontstaan waarin een heleboel mensen niet de medicamenten krijgen waarop ze recht hebben. Zie het voorbeeld van Emma Brunt die er na zeven jaar vruchteloos praten over haar depressies zelf achter moest komen dat Prozac haar het beste helpt. Voor die kant komt Kahn terecht op.

“Maar er is ook die kant van het gulzige, onbeschaamde reductionisme: het zit alleen maar in het hoofd, het is een kwestie van een chemische onbalans. Sommige psychiaters - en dat neemt snel toe - zijn geneigd om niet meer te praten en alleen nog pillen te geven. Ook Kahn draagt bij tot desavouering van psychotherapeutische en andere ingrepen.

“Wat ik Kahn verwijt, is zijn suggestie dat hij een heleboel mensen heel snel op die manier kan behandelen. Maar het internationale onderzoek waarop hij zijn cijfers baseert, is gedaan bij een beperkte groep zorgvuldig geselecteerde patiënten. Voor die groep gaan die cijfers op, maar niet voor alle mensen die een dokter in zijn spreekkamer krijgt.”

U bent, naast onderzoeker, ook altijd behandelaar geweest. U sloot geen enkele methode uit?

“Ik ben psychotherapeut, maar ik heb ook veel pillen verstrekt in mijn leven, electroshocks gegeven, lichttherapieën en slaaponthouding voor depressieve mensen - het hele arsenaal waarmee je de toestand van mensen kunt verbeteren.

“Een behandeling gaat vaak in fasen. Stel dat iemand met de waan rondloopt dat hij eigenlijk al niet meer leeft. En hij wil een spuitje. Tegen zo iemand zeg ik: ik wil u shocken. Als hij dan ontwaakt uit zijn boze dromen, is het nog steeds iemand die met zijn persoonlijkheid in een bepaalde sociale situatie depressief is geworden. Dàn zal er toch gepraat moeten worden over het hoe en het waarom.

“Ik heb het geval van een depressieve boerin beschreven. Die vrouw was na een verandering in ondermeer haar gezinssituatie volkomen van slag geraakt en uiterst depressief geworden. Na zes shocks leek ze als herboren. Sommige collega's zeiden op een congres: die vrouw is depressief geworden omdat er in die hersens iets misging. Ze beschouwen zo'n geval als het ultieme bewijs dat depressies hersenziektes zijn. “Voor mij is dat een platitude. Zo'n vrouw is depressief geworden door redenen die we niet precies kennen, maar er is in ieder geval van alles misgegaan in haar interactie met de omgeving. Natuurlijk zijn er stoornissen in haar hersens opgetreden, maar haar problemen begonnen toen er van alles veranderde in haar sociale omgeving - wat mij betreft is dàt primair.”

Is uw ervaring dat je als psychiater veel kunt bereiken in termen van genezing?

“Je kunt in ieder geval enorm veel méér bereiken dan toen ik begon. Dat komt door de ontwikkelingen op psychotherapeutisch en farmacotherapeutisch gebied. Daarbij is het wel de vraag of je moet spreken van 'cure' of 'care'. Was het een causale behandeling die de oorzaak heeft weggenomen, of een palliatieve (verzachtende) behandeling die de ernstigste symptomen heeft bestreden? Dat is vaak heel moeilijk te onderscheiden. “Er is onlangs een groot Amerikaans onderzoek gehouden onder niet-geselecteerde patiënten. Daaruit bleek dat meer dan vijftig procent van hen zich 'goed' en dertig procent zich 'redelijk' geholpen voelde door allerlei therapieën: van medicijnen tot psychotherapie en begeleiding door maatschappelijk werk.”

U toonde u twintig jaar geleden in uw essaybundel 'Een pil voor Doornroosje' verwant met sommige antipsychiaters. Deelde u ook hun centrale visie: dat niet de patiënt ziek was, maar de maatschappij?

“Nee, dat heb ik nooit zo gezien. Ook die visie is weer polarisatie. Alsof de mensen zelf geen eigenschappen hebben waardoor ze al dan niet met de sociale situatie kunnen omgaan. Die visie leidde in extreme gevallen tot een idealisering van de zwakkeren. Ze werden blootgesteld aan zware therapeutische sessies die ze niet aankonden. De minder polariserende antipsychiatrie heeft in Italië wel degelijk gunstige resultaten gehad, voor zover ik weet.”

U had destijds veel vertrouwen in de therapeutische praktijken van mensen als Jan Foudraine. Bent u niet misleid door hun florissante verhalen?

“Ja, ik heb toen misschien wel met te weinig vraagtekens en kritiek naar die diep-menselijke prachtbehandelingen gekeken.

“Wat ik goed vond aan de antipsychiatrie, was dat ze de taal van de patiënt serieus nam. Ze erkende dat de patiënt in al zijn verwarring op de een of andere manier met ons probeert te communiceren. Ze besefte dat de patiënt in interactie met de wereld leeft.”

De vraag ligt voor de hand bij een psychiater die zich veel met depressies heeft beziggehouden: heeft hij er zelf ooit onder geleden?

“Nee...”, zegt hij, “natuurlijk heb ik wel sombere perioden gehad, maar niet ernstig genoeg om ze depressies te noemen.”

Uw poëzie is gedrenkt in een stevige melancholie. Komt u daarmee ook niet in de buurt van depressieve stemmingen?

“Nee. Bij mij is er sprake van niet-klinische melancholie in de betekenis van weemoed. En weemoed is ook een prettig gevoel, niet te vergelijken met het gevoel van uitzichtloosheid en zinloosheid dat de depressieve patiënt heeft. Integendeel, de weemoed is bij uitstek het gevoel waarin de zin van het leven niet betwijfeld wordt, maar juist ervaren. Als je op het strand bij een zonsondergang een weemoedig gevoel krijgt door al die kortstondigheid, ervaar je toch iets als: dit is de essentie van het bestaan. Een depressieve patiënt kent dat gevoel niet.

“Weemoed kan creativiteit losmaken, depressiviteit is daar geen goede bron voor.”

U veegt in uw afscheidscollege nogal ironisch de vloer aan met René Diekstra, hoogleraar psychologie in Leiden en bestsellerauteur van psychologische adviesboeken. Wat heeft u tegen zijn werk?

“Psychiaters danken, net als andere medici, hun effectiviteit voor een deel aan placebo-effecten. Placebo (schijngeneesmiddel) is geen vies woord, het staat voor een x-aantal factoren die we niet kennen en die kennelijk van belang zijn in het contact tussen arts en patiënt. De warm-menselijke raadgevingen van Diekstra zullen ook wel zulke effecten opleveren, evenals Jomanda en Lourdes. Mijn grote bezwaar er tegen is de wetenschappelijke pretentie waarmee het verkocht wordt. Alsof de wetenschap ons dit allemaal verteld heeft.”

Behalve placebo-pillen schijnen zelfs placebo-electroshocks nuttig te kunnen zijn.

“Zeker. Daar is in Engeland onderzoek naar gedaan. De patiënt denkt dan dat hij geshockt wordt, maar er worden alleen maar wat loze elektroden op zijn hoofd gezet. Een groot aantal mensen in dat onderzoek blijkt opgeknapt alsof ze een echte behandeling hadden ondergaan. “Ik heb met placebo-pillen alleen op research-basis gewerkt, waar de patiënten akkoord mee waren gegaan. Ik heb nooit placebo gebruikt in mijn praktijk. De kans dat het echte middel werkt is altijd nog aanzienlijk groter. Bovendien is het geven van een placebo in de praktijk bedrog - dat kan dus niet.”

U heeft als getuige-deskundige voor het Medisch Tuchtcollege de beslissing gelaakt van uw collega Chabot om een depressieve vrouw bij haar zelfdoding te helpen. Waarom?

“Ik vond dat hij zijn diagnose had moeten toetsen bij een onafhankelijke collega. Verder vroeg ik me af of het lijden uitzichtloos was. Afgaande op de huidige stand van de wetenschap en de dossiers in dit geval, leek mij dat haar depressie niet met zekerheid uitzichtloos was. Ik vind dat hij haar door een collega had kunnen laten behandelen toen het hem niet lukte. Ik heb niet gezegd dat ik zo'n verzoek om hulp bij zelfdoding nooit zou inwilligen. Ik kan me heel uitzonderlijke gevallen voorstellen, maar ik heb ze zelf nooit meegemaakt.”

Een psychiater is voorwerp van verguizing òf bewondering - daartussen ligt niet zoveel.

“Verguizing en bewondering hebben misschien wel dezelfde wortel: angst. Ik heb er niet zo erg onder geleden. Het is lastig om te gaan met mensen die tegen je opkijken, en het is evenmin leuk om te merken dat mensen je maar een ouwehoer vinden die niets voor ze kan doen. Maar ik kan me goed verdedigen en ben een hoop gelijkgezinden tegengekomen, onder collega's en kennissen.”