Geloven in Thomas

JACOB SLAVENBURG: Valsheid in geschrifte. De gespleten pen van bijbelschrijvers

165 blz., Walburg Pers 1995, ƒ39,50

De schrijver van Valsheid in geschrifte ontwaarde een onthutsend grote kloof tussen wat bijbelwetenschappen aan het licht hebben gebracht en de kennis waarover de doorsnee bijbellezer beschikt. Hij besloot daaraan wat te doen. Het resultaat van zijn inspanningen is zodanig voorzien van - soms letterlijk - uitroeptekens en onderstrepingen, dat het lijkt alsof Jacob Slavenburg de eerste is die onthutst raakte door zijn ontdekkingen.

De gegevens zijn evenwel bekend: de eigenlijke schrijvers van de bijbel blijken niet altijd de auteurs te zijn op wier naam een bijbelboek staat, de evangeliën zijn eerder theologische tractaten dan historische berichten over het leven van Jezus, en de canon (de officiële, door de Kerk geijkte lijst van bijbelboeken) is tot stand gekomen door selectie en amputatie - een menigte kandidaten voor de canon had in de bijbel terecht kunnen komen, als de kerkelijke machthebbers (vooral de kerkvader Athanasius) dat niet hadden weten te verhinderen.

Dat deze kennis niet doorsijpelt naar de doorsnee kerkelijke gemeente is een andere zaak. Slavenburg vraagt zich dat terecht af. Wat hij aandraagt aan gegevens kan dus voortreffelijk in deze leemte voorzien. Hier lijkt, kort maar hevig, de informatie geleverd die voor een relativering van de orthodoxe schriftopvatting nodig is.

Of Valsheid in geschrifte die dienst inderdaad verricht, is intussen de vraag. Slavenburg vervult zijn opdracht zo hardhandig, dat de lezer als spoedig argwanend wordt. Waarom zo driftig te keer gegaan over zaken die, behalve dan in behoudende kringen, overal reeds gemeengoed zijn? Na een aanloopje over de wordingsgeschiedenis van de Nieuwtestamentische evangeliën, wordt dat duidelijk. In 1945 ontdekte een boer, bij de plaats Nag Hammadi (in Boven-Egypte), een kruik met handschriften, die het christendom, aldus Slavenburg, op zijn grondvesten zou doen trillen. In die kruik bevond zich namelijk ook het evangelie van Thomas. Na veel verwikkelingen verscheen de tekst ervan, samen met die van de andere Nag Hammadi-teksten, in 1977 in een Engelse vertaling.

Voor Slavenburg, zelf vertaler van de Nag Hammadi-teksten, is dat Thomas-evangelie heel bijzonder. Van de bestaande evangeliën (Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes) kun je niet anders zeggen dan dat die via een groeiproces tot stand zijn gekomen, waarbij we 'groeiproces' letterlijk moeten opvatten: het verhaal werd aangepast aan telkens nieuwe omstandigheden waarin het werd doorverteld, en dus aangedikt. Pas na lange tijd werd het op schrift gesteld. Maar, gezien de vele tekstvarianten (tienduizenden, zegt Slavenburg, later reduceert hij ze tot duizenden), was het aanpassingsproces ook toen nog niet afgelopen.

Splinternieuwe woorden Heel anders het evangelie van Thomas! Geen aandacht voor afleidende wonderverhalen, maar “splinternieuwe woorden van tweeduizend jaar oud”, aldus de auteur. Woorden van Jezus, wel te verstaan. Inderdaad is het evangelie van Thomas in één opzicht heel apart. Het bestaat uit 114 spreuken die achter elkaar zijn geplaatst zonder verdere toevoegingen. Ze ademen een gnostische spiritualiteit, waarbij we onder 'gnostiek' de leer moeten verstaan dat verlossing niet, zoals de latere theologie leerde, van buitenaf wordt bewerkstelligd maar van binnenuit. De weg begint bij zelfkennis. “Jezus zeide: wie het Al denkt te kennen, maar niet zichzelf, blijft volkomen in gebreke” (Spreuk 67). De zoektocht is een zoektocht naar het zelf. Het eindpunt is bereikt als uiterlijk en innerlijk in elkaar overvloeien. Zelfkennis verheft de mens uit zijn dualiteit.

Ook uit de dualiteit die met het man- en vrouwzijn is gegeven. Als je Thomas niet vrouw-onvriendelijk uitlegt, zegt hij volgens Slavenburg in Spreuk 22: “Waar (lees: want, HMK) iedere vrouw die zichzelf zal vermannen (het mannelijke in zich toe wil laten - en iedere man die het vrouwelijke in zich toe wil laten) zal ingaan tot het Koninkrijk der hemelen”. Zelfkennis, als kennis van het Al, en als opheffing van de tegenstelling tussen de animus en anima van Carl Gustav Jung. Inderdaad, we zijn bij het punt waar Slavenburg naar toe wil: Jezus krijgt een zetje in de richting van New Age, en het instrument daarvoor blijkt een ondergeschoffeld stukje van de traditie te zijn: het evangelie naar Thomas. Er is niet tegen een zwaai naar New Age. Evenmin is het buiten de regels van de uitleg om je dan op het evangelie van Thomas te beroepen. Jezus interpreteren stond en staat nog steeds vrij. Had Slavenburg het hierbij gelaten, bij een voorkeur voor Jezus naar het evangelie naar Thomas, we zouden er vrede mee hebben. Maar wat hij zo verfoeit bij de traditie, het gebruik maken van gezagsargumenten, gaat hij zelf niet uit de weg als hij naar de “splinternieuwe woorden van tweeduizend jaar oud” wil.

Om die paradox op te lossen, moet hij ten eerste de wordingsgeschiedenis van de canon in het algemeen, en die van de evangeliën in het bijzonder, als een soort complottheorie beschrijven. Hij zegt ergens dat hij dat niet bedoelt, maar wie de inleiding leest, waarin hij de bijbelschrijvers valsheid in geschrifte en een gespleten pen aanwrijft, ontkomt niet aan die indruk. Het ware evangelie is Thomas en de kerkelijke evangeliën zijn vervalsingen. Zou het? Een historicus moet zijn onderzoek niet ondergeschikt maken aan een ideologische doelstelling (en zeker geen morele oordelen vellen over het verleden), want dat loopt altijd verkeerd af.

Ten tweede stelt Slavenburg dat het evangelie van Thomas aan alle andere teksten vooraf is gegaan: het zou in ongeveer 50 na Christus zijn ontstaan. Dat nu is niet alleen aangevochten (een liefhebber van Thomas, Gilles Quispel, stelt de ontstaanstijd op ongeveer 140 na Chr.), maar ook onbewijsbaar. Slavenburg beroept zich op Amerikaanse geleerden die van de vroege datering uitgaan. Inderdaad, die zijn er. Zoals er zijn die het omgekeerde beweren. Meer valt er niet over te zeggen. En om nog wat te noemen: als de evangeliën van het Nieuwe Testament een beduimelde (geïnterpreteerde) Jezus laten zien, zou dan ineens Thomas' evangelie geen vingerafdrukken vertonen?

Moet de conclusie nu luiden dat dit hele vuurwerk van 'valsheid in geschrifte' en 'drie eeuwen corrigeren' (alsof er een origineel was) niet had gehoeven? Er is geen reden te bedenken waarom mensen niet het evangelie van Thomas mooi zouden mogen vinden, ook al is het niet kerkelijk geijkt.