Fundamentalisten mikpunt Bhutto

NEW DELHI, 2 DEC. De Pakistaanse premier Benazir Bhutto, die de moslim-fundamentalisten in haar land lange tijd met fluwelen handschoenen heeft aangepakt, heeft deze week voor het eerst een bescheiden offensiefje tegen moslim-extremisten ingezet.

Bij een rede tot een schrijverscongres haalde Bhutto donderdag fel uit naar de politieke mullah's. Op hun madrasa's, religieuze scholen, zouden ze hun pupillen geen godsdienstonderwijs geven maar een militaire training. Veel studenten van Pakistaanse madrasa's vechten op het ogenblik voor de vestiging van een islamitisch bewind in het buurland Afghanistan, terwijl anderen in het Indiase deel van Kashmir voor aansluiting bij Pakistan strijden.

Ook beschuldigde Bhutto deze mullah's ervan “te zijn ontstaan, georganiseerd en getraind door de krachten van het imperialisme en het Westen.” Gewoonlijk zijn het juist de fundamentalisten die Bhutto voor een lakei van de Verenigde Staten uitmaken. Bhutto zelf pleegt zich bij haar frequente bezoeken aan Westen voor te stellen als een bondgenoot van het Westen tegen oprukkend fundamentalisme.

Dat Bhutto het ditmaal niet bij woorden alleen wilde laten, was al eerder gebleken. In de dagen voor haar toespraak waren er enkele honderden militante moslims opgepakt en ondervraagd. Zelfs zijn negen radicale moslims ter dood veroordeeld in verband met moorddadige aanvallen op twee moskeeën in Karachi eerder dit jaar. In de grote zuidelijke havenstad waren moslim-extremisten er al bijna aan gewend geraakt dat ze straffeloos hun tegenstanders uit de weg konden ruimen.

De afgelopen jaren viel Bhutto de fundamentalisten zelden rechtstreeks aan, al was algemeen bekend dat ze weinig ophad met hun radicale opvattingen. Hoewel de radicale moslims maar een handvol zetels in het parlement bezetten, vormen ze een machtige lobbygroep, die politici doorgaans liever niet tegen zich in het harnas jagen. Steeds als de fundamentalisten luid de trom roerden, zoals bij de vrijspraak van van godslastering beschuldigde christenen eerder dit jaar, deed de premier er het zwijgen toe.

De nieuwe fermheid van Bhutto lijkt te zijn ingegeven door twee zaken. In de eerste plaats de pijnlijke bomaanslag van twee weken geleden op de Egyptische ambassade in Islamabad, waarbij 17 mensen om het leven kwamen. De verantwoordelijkheid hiervoor werd door enkele Egyptische organisaties opgeëist, waarvan de leden zich vermoedelijk al langere tijd in Pakistan ophielden.

Sinds de Sovjet-interventie in Afghanistan van de jaren tachtig wemelt het in Pakistan van buitenlandse radicale moslims, die via Pakistan naar Afghanistan gingen om daar mee te strijden met de islamitische verzetsstrijders. Na de aftocht van de Russen bleven velen in Pakistan hangen. Ze onderhouden dikwijls nauwe contacten met militante moslim-organisaties elders in de wereld.

De aanslag in Islamabad geschiedde op slechts een steenworp van tal van regeringsgebouwen. Dat de radicale moslims er niet meer voor terugdeinzen hun bommen zo dicht bij het politieke hart van het land tot ontploffing te brengen, moet de regering aan het denken hebben gezet.

De tweede reden waarom Bhutto de fundamentalisten agressiever wil aanpakken is waarschijnlijk een in de kiem gesmoorde poging tot een staatsgreep van eind september. Tien hoge officieren werden toen gearresteerd omdat ze het oude establishment hadden willen omverwerpen en de shari'a, het islamitische recht, in Pakistan hadden willen afkondigen, dat overigens op halfslachtige wijze al van kracht is.

Het is bij de hardere aanpak van de fundamentalisten niet duidelijk of Bhutto op eigen gezag handelt of instructies heeft gekregen van de machtige militaire top, die vanouds tamelijk seculier is ingesteld. Het is zeer wel mogelijk dat het opperbevel haar heeft voorgehouden dat een verzoeningsgezinde politiek tegen de fundamentalisten uiteindelijk alleen maar averechts werkt.