Belgische botsingen

KRIS HOFLACK: De achterkant van de premier. Gesprekken met zeven regeringsleiders

251 blz., geïll., Van Halewyck 1995, ƒ34,90

De laatste zeven premiers van België doen alle moeite de indruk te wekken dat ze 'bij toeval' en 'tegen hun eigen wil' tot het hoogste ambt van het land werden geroepen. De meesten verstaan de grondbeginselen van het theater en doen alsof ze geen andere keus hadden. Toch is ambitie vaak een grote drijfveer. Met veel premiers liep het slecht af, omdat ze verstrikt raakten in intriges of schandalen. Niet zelden zijn het de partijgenoten die een 'vadermoord' plegen. Maar elke premier ziet zichzelf achteraf toch als de politicus die zich opofferde voor 'het goede'. Schijn is een noodzakelijke deugd in het schouwspel van de Wetstraat.De laatste zeven premiers van België kenden dit spel. Vaak moesten ze hun coalitie overeind houden tussen de intriges van partijen die de echte macht hebben. Sommigen hielden het maar een half jaar uit, zoals Mark Eyskens in 1981 en Pierre Harmel in 1965. “Ik was geen goede premier”, geeft Harmel eerlijk toe. Het kwam zelfs voor dat ministers in staking gingen.

Wilfried Martens had het meeste zitvlees. Hij bleef twaalf jaar premier. Een record. Paul vanden Boeynants zorgde voor de meeste ophef en voor schandalen. Hij was twee keer premier, van 1966 tot 1968 en in 1978, en werd een van de meest kleurrijke figuren in de Belgische politiek. In maart van dit jaar nam hij pas echt afscheid van de politiek toen hij zijn zetel in de Brusselse gemeenteraad opgaf. In de hoofdstad hield hij, via zijn stromannen, veel touwtjes in handen. Maar binnen zijn partij was hij uitgerangeerd door zijn eigen leerling, partijvoorzitter Gerard Deprez. “Hij was mijn kabinetschef. Ik heb hem altijd geholpen om zijn carrière uit te bouwen. C'est scanduleux” zegt Vanden Boeynants verbitterd.

Het aardige van de achterkant van de premier is dat de reeks gesprekken een dwarsdoorsnee geeft van de politieke cultuur in België. Sommige premiers gaven een periode weer die kleurrijk was, maar voor de politiek funest. Vanden Boeynants was het prototype van graaien in de vleespot. Hij deed dat zelfs letterlijk. Als eigenaar van een vleesfabriek voorzag hij het Belgische leger van zijn worsten. Er was in België geen schandaal meer denkbaar zonder Vanden Boeynants, die onder de afkorting VdB bekend werd. Hij zou als minister van defensie smeergeld hebben gekregen, hij zou het brein zijn geweest achter een rechtse staatsgreep, hij zou via de mafia de man zijn achter de zogenoemde 'roze balletten', een netwerk met dure prostituées. Begin jaren tachtig dacht hij weer premier te kunnen worden, maar het Hof stak er een stokje voor. VdB had immers een veroordeling wegens fiscale fraude opgelopen.

Oud zeer Het opmerkelijke is dat Franstaligen amper nog aan bod komen als premier. VdB is Franstalig Brusselaar en Edmond Leburton was van 1973 tot 1974 de laatste Waal die het premierschap uitoefende. Deze ex-verzetsman en burgemeester van Waremme kon in dat jaar overigens weinig doen. Zijn regering ging ten onder aan intriges van vooral de Waalse socialisten van partijleider André Cools, die in 1991 werd vermoord. Tegen geestverwant Willy Claes koestert Leburton nog wat oud zeer. Leburton werd als voorman van socialistische ziekenfondsen vervolgd wegens verduistering. Maar zijn rechterhand, Claes, verschool zich achter de parlementaire onschendbaarheid en liet Leburton voor het euvel opdraaien.

Er is nogal wat oud zeer terug te vinden in het boek. Zo was Wilfried Martens steeds in conflict met zijn rivaal Leo Tindemans, die premier was van 1974 tot 1978. Deze was de machinaties van de partijvoorzitters zo beu dat hij, onverwachts, naar het parlement ging en riep: “Ik ga naar de Koning.” Ook koning Boudewijn was totaal verrast. Tindemans had het verbruid bij de CPV-voorzitter, Martens, en er ontspon zich een persoonlijke vete die nog voortduurt. Tindemans zou nooit meer premier worden, maar bleef een populair politicus. Bij de Euro-verkiezingen van 1979 haalde hij het nog steeds ongeëvenaarde record van ruim een miljoen voorkeurstemmen. Maar in de Wetstraat bleef Martens de baas.

Het zijn twee karakters die op elkaar botsen. Mark Eyskens, wiens vader Gaston overigens de grootste naoorlogse premier was, weet het conflict treffend samen te vatten. “Tindemans is het tegenovergestelde van Martens. Hij is erg extravert en heeft er grote nood aan bemind te worden. Hij vermoedt ook samenzweringen en dat maakt hem achterdochtig.” En over Martens: “Hij is een charismatisch-apostolisch type. Martens komt stug en introvert over in de omgang. Hij is erg voorzichtig en zal zich niet snel engageren.”

Deze tweestrijd is de 'Peyton Place' van de Belgische politiek geworden. Martens en Tindemans waren wel gedwongen samen te werken. Tindemans was jarenlang minister van buitenlandse zaken onder Martens. Maar ze leerden elkaar haten. Martens noemde Tindemans de “slechtste mens die ik ontmoette”. Dit persoonlijk conflict liet zijn sporen na in de CVP. De Vlaamse christen-democraten, die intern verscheurd werden, verloren begin jaren tachtig bij parlementsverkiezingen ruim twaalf procent. De Nederlandse strijd tussen Lubbers en Brinkman vorig jaar vertoont soortgelijke ingrediënten, al was deze van kortere duur. Kiezers houden niet van ruzie aan de top van een partij.

En natuurlijk is er ook het persoonlijke leed van de premier. Martens hoopte, na zijn premierschap in 1991, op een mooie functie. Hij liet zijn oog vallen op het voorzitterschap van de Senaat, tevens de best betaalde politieke baan. Maar het politieke circuit was hem beu en wilde geen plaats inruimen voor de ex-premier. Martens' opvolger, Jean-Luc Dehaene, ging op zoek maar kon niets voor hem vinden. Dehaene noemt het nog altijd zijn “grootste frustratie” dat zijn voorganger niets kreeg en in een zwart gat viel, dat volgens sommigen van diens eigen partijgenoten niet “diep genoeg” kon zijn. Vervreemd van de wereld trok Martens door het leven. Wie nog wel eens in de Brusselse metro kwam kon een schuchtere Martens zien zitten. Hem overkwam hetzelfde wat Ruud Lubbers later te wachten stond: in de macht geprezen, daarna verstoten.

Pas vorig jaar werd Martens weer opgevist. Hij leidt nu de christen-democraten in het Europees parlement, op verzoek van de Duitse bondskanselier Helmut Kohl.

De zittende fractieleider, Leo Tindemans, moest plaats maken; Martens kwam op zijn stoel en Tindemans verhuisde met enig knarsentanden naar de achterste bankjes. Een politieke vete duurt soms levenslang. Derk Jan Eppink is politiek redacteur bij de Belgische krant De Standaard