'Arafat vermorzelt oppositie'

JERUZALEM, 2 DEC. “Ik wil een democratische Palestijnse staat. Zo'n open democratie als Israel is. Maar ik ben bang dat Yasser Arafat hard op weg is van Palestina een land te maken dat zich niet zal onderscheiden van de Arabische landen om ons heen en dat de democratie geen wortel zal schieten.”

In een chique Palestijns restaurant in Oost-Jeruzalem, in een hoekje, doet de Palestijn zijn verhaal. Hij maakt deel uit van de Palestijnse elite, heeft toegang tot Arafat en staat wegens zijn bijzonder gevoelige positie op strikte anonimiteit. “Ik heb Abu Ammar (Arafat) er vaak op aangesproken en hem mijn teleurstelling duidelijk gemaakt”, zegt hij. “Hij bijt dan van zich af: 'Laten we eerst onze Palestijnse staat bouwen en er dan over praten. Zo ging David Ben Gurion ook te werk toen hij de staat Israel opbouwde'.” “Ik weet niet wat ik dan moet zeggen omdat ik wel begrijp dat de persoonsverheerlijking rondom Yasser Arafat een belangrijk element is om de meningsverschillen in de Palestijnse maatschappij in de fase van de opbouw van Palestina zoveel mogelijk glad te strijken”, zegt de Palestijn. “Toch maak ik me zorgen. Want dat gecentraliseerde gezag van Arafat in Gaza wordt norm. De ambtenaren en veiligheidsfunctionarissen die uit Tunis naar Gaza zijn gekomen hebben minder gevoel voor democratie dan wij Palestijnen die door de bezetting heen toch de Israelische democratie aan het werk hebben gezien.”

De Palestijn vreest dat verkiezingen voor de Palestijnse bestuursraad en voor het 'presidentschap van Palestina', die op 20 januari worden gehouden, nauwelijks enige verandering in de situatie zullen brengen. Vanuit zijn optiek doet het er weinig toe als deze verkiezingen, onder internationaal toezicht, een perfect democratisch verloop hebben. Voor hem staat vast dat Arafat zal triomferen en diens guerrillabeweging Al-Fatah in het Palestijnse zelfbestuur de dominerende factor zal blijven.

“Arafat is, nu de Palestijnse politie Jenin in handen heeft, en andere Palestijnse steden eveneens spoedig door Israel aan de Palestijnse politie worden overgedragen, zo populair dat er van (de fundamentalistische oppositiegroep) Hamas niet veel meer over is”, zegt de Palestijn. Zijn vingers knippen als een schaar: “Zo vermorzelt Arafat de oppositie.”

De Palestijnse oppositie wordt door Arafats geheime diensten en fervente aanhangers zoveel mogelijk het zwijgen opgelegd vóór de kiezers naar de stembus gaan. Mijn Palestijnse gesprekspartner wijst erop dat kritiek op Arafat nog slechts incidenteel in de Palestijnse pers verschijnt. In Oost-Jeruzalem uitkomende Palestijnse kranten als Al-Quds en A' Nahar kregen na kritiek op Arafat en het Palestijnse zelfbestuur enkele maanden geleden al een verschijningsverbod opgelegd in gebieden die toen onder het Palestijns zelfbestuur vielen. De zetapparatuur van een klein Palestijns blad, Al-Uma, in Oost-Jeruzalem werd in brand gestoken toen er in dat blad kritische artikelen verschenen die op Arafats hoofdkwartier in Gaza in slechte aarde vielen.

Abdul Satar Kassem, hoogleraar in politieke wetenschappen aan de A'Najah-universiteit in Nablus werd drie maanden geleden in zijn been (drie kogels) en in zijn hand (een kogel) geschoten kort nadat hij een nogal venijnig anti-Arafat-artikel had geschreven in Al-Watan, een kleine publikatie in Gaza en in Falestin al-Muslimah, dat in Londen uitkomt. In de Palestijnse bladen, die beide met Hamas worden geïdentificeerd, schreef hij: “Er is geen onafhankelijke Palestijnse besluitvorming. Arafat heeft alles zelf ter hand genomen, hij beslist over alles dat de inwoners van Palestina en het land van Palestina aangaat. Arafat heeft de sleutels van de kassa en de propaganda in handen en snoert zijn volk de mond.” Deze week zei hij vanuit zijn huis in Nablus er “zeker van te zijn” dat hij door leden van de Palestijnse inlichtingendienst van Arafat is beschoten. “Ze wilden me niet doden, maar bij wijze van waarschuwing kreupel schieten”, zei hij. Hij gaf toe sedertdien “wat voorzichtiger te zijn geworden” maar bleef erbij dat “de Palestijnse verkiezingen in een sfeer van onderdrukte vrijheid van meningsuiting volkomen waardeloos zijn. De hele atmosfeer is pro-Arafat. Hij heeft alle sleutels in handen, om met financiële steun van de grote mogendheden en met zijn mannen op sleutelposities de verkiezingen glansrijk te winnen.”

Professor Abdul Satar Kassem ontkent, in weerwil van de publikatie van enkele van zijn artikelen in Hamas-bladen, lid van deze organisatie te zijn. “Ik ben volkomen onafhankelijk en van geen enkele organisatie lid”, zei hij deze week. “Mijn kritische artikel over Arafat verscheen ook in het linkse blad Al-Marjd (De Glorie) in Amman.”

Twee dagen na mijn gesprek met de Palestijn in het restaurant, publiceerde Dani Rubinstein, de Palestijnse specialist van de krant Ha'arets, een artikel over Yasser Arafat onder de kop 'Op weg naar het éénmansbewind'. “Het gecentraliseerde gezag van Arafat lijkt op dat van andere Arabische regimes: de persoonsverheerlijking van de leider is in volle gang, de Palestijnse pers durft bijna geen kritiek meer op hem uit te oefenen en Palestijnen zijn zelfs bang grappen over Abu Ammar te vertellen.”

Volgens het artikel in Ha'arets verlaten sommige Palestijnen hun vriendenkring zelfs als er grappen over Arafat worden gemaakt, uit vrees dat ook hun naam op de een of andere manier de kantoren van de Palestijnse leider bereikt. Op de Westelijke Jordaanoever gaat het gerucht dat een Palestijn die onlangs schimpte over de dikke lippen van Arafat door de Palestijnse binnenlandse veiligheidsdienst voor ondervraging naar Jericho werd ontvoerd. “Ik weet van een Palestijn die in het American Colony-hotel in Jeruzalem met een Palestijns meisje sliep, uit zijn bed werd gelicht en tijdens ondervraging in Jericho zwaar werd toegetakeld”, vertelt mijn Palestijnse gesprekspartner. “Deze zaak heeft niets met politiek te maken. De ouders dachten dat hun dochter was gedwongen met de Palestijn te slapen. Ze beklaagden zich bij de Palestijnse binnenlandse veiligheidsdienst en deze ging onmiddellijk tot actie over zonder het meisje te vragen of ze misschien uit vrije wil het bed met de Palestijn deelde.”

Hoewel de Palestijnse minnaar vrijwel zonder kleren naar Jericho zou zijn gesleept en tijdens de ondervraging was geslagen en vernederd, tekende hij toch een verklaring dat hij goed was behandeld. “Zo bang was hij. En tot wie moest hij zich wenden? Van ons rechtssysteem klopt nog niet veel. Dat moet eerst worden opgezet. Zolang er geen juridisch tegenwicht is tegen het optreden van de verschillende geheime diensten van Arafat staat de burger machteloos tegen grillen van deze organisaties. Dat is een van de aspecten van onze anarchie, die naar buiten toe een heel ander gezicht heeft, door het gezag en de bestuursvaardigheid die Yasser Arafat uitstraalt. Het gaat echter niet alleen om Arafat zelf. Ik bewonder hem. Maar wat zal er na hem gebeuren als hij geen sterke democratische erfenis achterlaat? Ik heb er respect voor dat Israel de schok van de moord op Rabin waardig heeft opgevangen. De ouderen gingen rustig naar huis en de jongeren bleven met de armen om elkaar geslagen op het plein voor het stadhuis in Tel Aviv waar hij werd vermoord. Als Arafat zo aan zijn einde zou komen, breekt er een verschrikkelijke Palestijnse burgeroorlog uit.”