Andermans tuinen

Brigid Brophy, Michael Levey en Charles Osborne hebben eens een boek geschreven geheten Fifty Works of English (and American) Literature We Could Do Without.

Het zou interessant zijn als hetzelfde eens gedaan werd op tuingebied: 'Tien Volstrekt Afzichtelijke Bekende Tuinen'; 'Drie Kandidaten voor Agent Orange'; 'Vijf Borders die maar Beter Omgeploegd Konden Worden', etc. Kritisch proza over tuinen is zeldzaam: =f de mensen vinden ze mooi =f ze schrijven er niet over. Er was een moedige poging in Gardeners' World, een jaar of twee geleden, om tuinliefhebbers over hun favoriete afkeren te laten praten - zo maakte Anna Pavord de kachel aan met dwergconiferen - maar bij mijn weten heeft niemand ooit een hele tuin op de korrel genomen.

En toch bestaat er onder tuinbezoekers, in tegenstelling dus blijkbaar tot schrijvers, niet alleen maar genieting. Saaie indeling, clichématige beplanting, pretentieus tuinmeubilair - er zijn allerlei hindernissen, nog afgezien van oneigenlijke factoren als het weer, vermoeidheid, weerzin op het eerste gezicht jegens de eigenaar, onvervuld verlangen naar een kop thee. Niettemin wordt ons altijd aangeraden tuinen te bezoeken: we worden verondersteld inspiratie op te doen door te zien wat de meesters hebben gedaan. Ik vraag me af hoe waar dat is: wat meestal gebeurt is dat je, omspoeld door honderden totaal vreemde planten, linea recta en onder het slaken van enthousiaste kreten van herkenning afstevent op de paar die je vertrouwd zijn. Wanneer ik denk aan de beroemde tuinen die ik bezocht heb kan ik me meestal maar een of twee nieuwe planten voor de geest halen die ik er leerde kennen; daarna werd ik bevangen door plantblindheid.

En iets als de Nut Walk of de White Garden imiteren lijkt mij even onvoorstelbaar als een replica maken van de spiegelzaal van Versailles in je eigen huiskamer; doen mensen dat ooit? De echte specialisten krijgen ongetwijfeld ingevingen door het bekijken van elkaars tuinen (dat zeggen ze in elk geval), maar of het veel verder gaat betwijfel ik.

Een nieuw boek van Christopher Lloyd is altijd een belevenis; levendige afkeren zijn hem niet vreemd en een boek waarin hij vertelt wat hij van andermans tuinen denkt zou iets kunnen zijn als een kist handgranaten. Het heet Other People's Gardens - een briljante titel, met de impliciete knorrige erkenning dat er ook andere mensen bestaan en zelfs tuinen hebben, hoe onterecht dat ook is - en bevat beschrijvingen van vierentwintig tuinen van zeer uiteenlopende soorten in Groot Britannië, Ierland, Amerika, Australië en Nieuw Zeeland: allemaal Engelstalige tuinen om zo te zeggen. De foto's in het boek werden bijna allemaal genomen door Lloyd zelf.

Als je tuinen niet zelf kunt bezoeken kun je er altijd een boek over kopen. Uitgevers van tuinboeken brengen dit beginsel al sinds jaren in praktijk: ze publiceren prachtige boeken met schitterende foto's die een half uur later worden verramsjt. In dit boek is de tekst belangrijker dan de foto's, laten we hopen dat het 't nog even uithoudt. Hoewel het raar is dat in een boek met zoveel tekst een index ontbreekt; een van de genoegens van Christopher Lloyd is nu juist opzoeken wat hij over bepaalde planten te zeggen heeft.

Afgezien daarvan is er veel te genieten. Lloyd is kennelijk net als ik van mening dat een goede tuinbeschrijving ook de tuinier omvat, en zo krijg je boeiende beelden van sommige tuineigenaars, zoals kolonel Bullivant, die vaste 'voedertournees' placht te geven voor zijn vleesetende planten, en Garibaldibiscuits ('squashed flies') voor de menselijke bezoekers; idem Lionel Fortescue, voormalig schoolmeester van Eton: 'De meeste tuiniers zijn in mijn ervaring tamelijk aardige mensen. Van Fortescue kun je dat niet zeggen.' Je krijgt ook een idee van de strategie waarmee de auteur tuinen bezoekt. Sprekend over een tuin in Australië merkt hij op dat deze niet de indruk maakt heel groot te zijn, 'maar mijn gastheer zegt dat ik lang niet alles heb gezien omdat ik altijd te veel haast had, in afwachting van de volgende maaltijd.'

Ook Christopher Lloyd vermeldt de neiging planten op te merken die je al kent; een die hij meermalen tegenkomt is Echium pininana. Ik hoorde voor het eerst over deze plant van een kennis in Ierland, die de emotie beschreef van het observeren van twee exemplaren in zijn buurmans tuin. Want deze Echium heeft niets gemeen met de gangbare kleine soort; het is meer een bezoeker uit de ruimte, die er drie jaar over doet om te bloeien en dan een bloemstaak omhoogstuurt van 5 meter. Lloyd schrijft over een hele kolonie ervan in de Botanische Tuinen van Ventnor op het eiland Wight: 'Misschien is dit, net als het bezit van een kudde giraffen, meer opwindend dan mooi, maar wie kan dat wat schelen? Onder normale omstandigheden is de eigenaar van één enkele bloeiende E. pininana al een trotse tuinier, maar dit overtrof alles.' De vergelijking met giraffen is briljant: het is daarna onmogelijk deze planten niet te zien als dieren met lange nekken, die geduldig langs het pad staan te wachten en allemaal dezelfde kant uitkijken.

Er komen nog meer tuindieren in dit boek voor, zoals de herten in Vermont die 's winters over de hekken springen en de terriers in Dorset die de pest hebben aan kinderen. Sommige uitverkoren tuineigenaars houden zelfs buizerds: 'Waarom kan ik geen buizerds hebben in Dixter? En ze konijntjes voeren met een speciale vogelvoedermachine?'

Lloyd beschrijft hoe hij in Amerika voor het eerst Petunia integrifolia ziet en die dan, 'zoals zo vaak gebeurt', ook hier ziet als hij terug is. Zo is er ook nog hoop voor onze bamboe: 'een zaailing van Fargesia murieliae is mooi in een pot, met blaadjes als een wolk veertjes. Zo zou het er nooit uitzien als het gescheurd was van een volwassen plant: dan krijg je alleen maar grove, heerszuchtige hengels.' Zo is tuinbezoek toch ergens goed voor.