Unbietebul

Bij grote ondernemingen staan we altijd weer voor het raadsel van het eerste ogenblik. Op zeker onachterhaalbaar ogenblik, ergens, onder bizarre of banale omstandigheden, is iemand op het denkbeeld gekomen: zo moet het en gaat het worden. En dan, na verloop van de tijd die voor de rijping is vereist, staat het bericht in de krant: nieuwe spelling. De eerste keer is het me, zeven jaar oud, in 1934 overkomen: de spelling-Marchant, niet zoo maar zo. In mijn familie, van vaders kant frikken tot in het vierde geslacht, liep het hoog op. Conservatief als ik was wilde ik vasthouden aan zoo en mensch, zoals ik me ook fel tegen het afsluiten van de Zuiderzee had verzet. Een mens leek me toen iemand anders dan een mensch, en dat is niet veranderd.

Woorden waarvan de spelling is veranderd, maken altijd de indruk dat ze het resultaat van knutselwerk zijn, hobby-produkten, op zondag door een amateur in zijn schuurtje uitgevonden om de kring van vrienden en kennissen paf te laten staan. Onbruikbare onzin die met een zekere toegefelijkheid wordt begroet omdat men daar van de maker houdt. Pannenkoek, paddenstoel, hoe verzint hij het weer! Het verschil tussen deze knutselaar en de spellingscomissie is dan dat die de macht heeft om het eindprodukt van het gepruts tot verplicht algemeen gebruik te bevorderen. Ik ben het dus met de historicus G.C. Molewijk (in deze krant van 29 november) en Harry Mulisch in zijn dankwoord voor de Prijs der Nederlandse Letteren eens: sinds de Eerste Wereldoorlog hebben de spellingscommissies niets goeds opgeleverd; door herhaalde wijzigingen in de spelling is het Nederlands broos geworden.

Hoewel: broos? Mijn stelling is dat een verandering in de spelling waardoor het woordbeeld geweld wordt aangedaan, in deze tijd door de gebruikers aan hun laars wordt gelapt. Evenmin als allerlei magistraten en zelfs politie-agenten hebben spellingscommissarissen nog gezag van betekenis, en wat er bij de nieuwspellers van over is wordt niet bekrachtigd door geweld. De gepolitiseerde spelling van de commissie-Geerts is door de tijd ingehaald. Op de manier die hij en de zijnen voorstaan laat alleen een verre achterhoede zich nog politiseren.

Harry Mulisch schetst een andere toekomst. Over 75 jaar, heeft hij gezegd, is het Nederlands hier tweede taal geworden zoals het Fries in Friesland. Dan zal het Amerikaans de lingua franca zijn. Daar geloof ik niets van. In de grote steden van de Verenigde Staten wordt de Amerikaanse versie van het Engels al concurrentie aangedaan door het Spaans. De stad New York is in haar opschriften en reclame hard op weg, tweetalig te worden. In de bus daar hoor je evenveel Spaans spreken als in Amsterdam Turks en Marokkaans in lijn drie. Maar als je goed oplet merk je dat Turken en Marokkanen in hun gesprekken woorden gebruiken waarvoor in hun eigen taal kennelijk geen equivalent bestaat. Bureau van volkshuisvesting bijvoorbeeld.

Omvangrijke nieuwe gebieden van de techniek zijn in Japan of de Verenigde Staten ontwikkeld. Iedereen gebruikt de Amerikaanse benamingen, hoewel er waarschijnlijk ook uitstekende Japanse termen voor bestaan. Maar buiten Japan spreken heel weinigen die taal, en daarom gaan de Japanners hier op het Engels over. Betekent dit de aanstaande ondergang van het Japans? Evenmin als het Russisch in het Nederlands is ondergegaan nadat onder invloed van tsaar Peter bepaalde verworvenheden van de Nederlandse beschaving in Rusland wortel hadden geschoten en tot op de dag van vandaag met Nederlands-achtige woorden worden benoemd. In Indonesië wordt een uitlaat nog altijd knalpot genoemd.

Het is waar dat Nederlanders soms snel geneigd zijn voor woorden uit een andere taal te capituleren. 'Ajax is gewoon unbietebul,' hoorde ik een jongere zeggen, en hij stak twee vingers op zoals Churchill dat placht te doen. Shit, fuck en relax maken een vitale indruk. Maar zullen de dames Mulisch die woorden nog gebruiken als ze zestig zijn?

Het regelmatig oplaaiend conflict over de spelling is maar één van de bewijzen dat het niet slecht gaat met de taal. Ik geloof ook dat er zelden zoveel woordenboeken zijn verschenen als in de laatste jaren. Het Vergeetwoordenboek van het tijdschrift Raster, het Groene Wielerboekje van Jan Zomer, de woordenboeken van Ewoud Sanders, het Aju Paraplu van Henk van Gelder, de Debuutwoordenboeken van Frans van Lier, het Nieuwlands van Frank Jansen en Hubert Roza, het woordenboekenoeuvre van Jan Kuitenbrouwer, het scheldboek van Arendo Joustra en Jaap Scholten, het Prisma Woordenboek van de eufemismen - ik noem er maar een paar uit de verzameling.

Daarmee is nog niet bewezen dat het goed gaat met de taal, maar het gaat in ieder geval goed met de belangstelling.

Hierover later meer.