Soekarno's bezetenheid treft ratelend zijn doel

Voorstelling: Soekarno door het Nationale Toneel. Tekst: Jan Blokker; regie: Johan Doesburg; decor; André Joosten; muziek: Lodewijk de Boer; spel: Victor Löw, Herman Frank, Joke Last, Johan Ooms, Han Kerckhoffs, Menno van Beekum, e.a. Gezien: 30/11 Koninklijke Schouwburg Den Haag. Aldaar t/m 12/12, daarna tournee t/m 15/2.

Wat was Soekarno voor een man? Soekarno, het eerste toneelstuk van Jan Blokker dat gisteravond in aanwezigheid van diverse schrijvers en politici in première ging en de opening was van het tiendaagse festival Indië/ Indonesië in Den Haag, geeft slechts gedeeltelijk antwoord op die vraag. Dat is teleurstellend, vooral omdat Jan Blokker, die het stuk schreef in opdracht van Het Nationale Toneel, in interviews vooraf verklaarde in de eerste plaats geïnteresseerd te zijn in Soekarno zelf, in 's mans drijfveren en zijn vele gezichten. Het weinige dat wij van hem weten is, aldus Blokker, nog altijd gekleurd door het beeld van de collaborateur die uit wrok jegens zijn koloniale overheerser samenwerkte met de Jap - en dat is een beeld dat op z'n minst nuancering behoeft.

Blokker koos zeven jaar uit het leven van Soekarno: het stuk speelt zich af in de periode tussen februari 1942, het moment dat de Japanners een eind maken aan Soekarno's internering die hem door Nederland is opgelegd, en 27 december 1949, de dag van de soevereiniteitsoverdracht. Niet aan de orde komen dus Soekarno's presidentsjaren waarin hij steeds megalomaner werd en steeds meer dictatoriale neigingen ten toon begon te spreiden.

Misschien ligt het daaraan dat zijn gevaarlijke kant in de voorstelling niet erg uit de verf komt. Hij mag dan een schurk zijn geweest die zijn landgenoten de dood instuurde door hen dwangarbeid voor Japan te laten verrichten, overheersend in de voorstelling zijn toch zijn praatjes: veel misbaar en weinig wol, is de indruk. Soekarno laat zich hier kennen als een luidruchtige prater die de media handig weet te bespelen. Een kind dat zichzelf overschreeuwt in de hoop dat de moeder (het gehate en tegelijk geliefde Nederland) eindelijk eens naar hem luistert en hem in haar armen sluit.

Niet alleen Blokker creëert dit beeld, ook hoofdrolspeler Victor Löw is er verantwoordelijk voor. Vaak gedraagt hij zich als een nar. Grijnzend en met molenwiekende armen tolt hij over het podium, met op zijn hoofd het karakteristieke ronde zwarte petje. Hij ratelt zijn tekst en gunt zich amper tijd om adem te halen. Alleen tegenover zijn vertrouweling Abu (Herman Frank) laat hij ook zijn onzekerheid en angst zien; van Abu, die hem kleedt, verzorgt en zijn hang naar mystiek voedt met sprookjes uit het mythologische epos Mahabharata, verlangt hij vaderlijke bescherming en geruststellende woorden.

Löws bezetenheid treft doel als hij het volk toespreekt alsof hij het wil bezweren en verleiden. Mooi zijn ook zijn heftige aanvaringen met Sjahrir (een waardige rol van Han Kerckhoffs). Evenals Hatta (Menno van Beekum) steunt Sjahrir Soekarno's streven naar onafhankelijkheid, maar niet tegen elke prijs. Daarover gaan de indrukwekkendste discussies in de voorstelling: Sjahrir - zorgelijk, kalm, in veel opzichten de tegenpool van zijn broeder in de strijd - die Soekarno verwijt dat hij zich met de Jap inlaat ten koste van de democratie, dat hij zijn handen wast in bloed en vergeet welke betekenis Nederland voor hem heeft en Soekarno die Sjahrir voor de voeten werpt dat hij bezijden de werkelijkheid staat.

De woorden klinken in deze scènes waarachtig en authentiek en op die momenten raakt de voorstelling je. Tegen het eind echter is het alsof het leven eruit loopt. De scènes met de Nederlandse politici die zich in bochten wringen om 'het koninkrijk en zijn delen' te behouden hebben vooral een ludieke functie: hun optreden is harkerig en potsierlijk. Het zal ongetwijfeld historisch juist zijn dat premier Drees in een te krap tropenpak Indonesië bezocht en daar last kreeg van zijn ingewanden, maar zo'n scène wordt al gauw flauw. Mallotig en een beetje gênant is ook dat Soekarno op 17 augustus 1945 in onderbroek de republiek uitroept. Waarom is dat?

Het zal wel een van die frivole accenten zijn die regisseur Johan Doesburg nodig achtte om de historische feiten te dramatiseren, zoals hij muziek van Lodewijk de Boer nodig had voor het dramatisch effect.

Een geschiedenisles op het toneel hebben Doesburg noch Blokker van Soekarno willen maken. De handeling voltrekt zich dan ook in een tijdloos en vaak in rook gehuld decor, in schitterende kleuren belicht door Reinier Tweebeeke. De abstrahering van de ruimte is niet helemaal doorgevoerd: het Oosters aandoende houtsnijwerk op zijpanelen en het op een groot scherm geprojecteerde wajangspel waar Soekarno zo dol op is, zorgen in zekere zin voor een bepaling van plaats.

Of de voorstelling op deze manier nu leidt tot een herziening van het beeld van Soekarno is twijfelachtig zolang dat beeld incompleet is. Was hij een verrader die heulde met de Japanner? Blokker geeft daarop geen pasklaar antwoord maar duidelijk is wel dat hij er niet op uit is de man met terugwerkende kracht te veroordelen. Als Soekarno fout was, zo lijkt zijn redenering, dan is daarvoor een verklaring. Maar veel wijzer worden we er gek genoeg niet van. We zien een buitenkant (Soekarno de charmeur, de zelfingenomen praatjesmaker, de ijdeltuit) en van wat daar achter schuil gaat hebben we hooguit een vermoeden.