Regen maken boven de bergen; Virtuoze roman van Peter Weber

Peter Weber: De weermaker. Vertaald door Gerda Meijerink. Uitg. Arena, 316 blz. Prijs (geb.): f 49,90.

'Dit is het verhaal van het wonderbaarlijke landschap Toggenburg dat aan de hemel is vastgemaakt'. Zo begint de roman Der Wettermacher, waarin de Zwitser Peter Weber een afgelegen streek bezingt. Dat je ook als niet-Toggenburger almaar door blijft lezen komt vooral door het stuwende ritme: 'Bos, baarden, wouden, velden, weiden, beken, aderlatingen, de rivier, de Thur, bochtig, het dal, de kromming, Krummenau, de heuvels, de straatweg, de spoorrails, het dal, de rivier, de Thur.' Beoefenaren van free jazz improviseren en variëren, versnellen, vertragen en interrumperen via een grillig patroon. Zo gaat jazzmuzikant Peter Weber ook om met de taal: via talloze herhalingen, improvisaties en variaties stevent hij energiek op zijn doel af.

Zijn weerbarstige zinnen, die bol staan van de dialectuitdrukkingen, laten zich eigenlijk amper vernederlandsen. Toch heeft Gerda Meijerink zich aan een vertaalpoging gewaagd, zodat we Der Wettermacher nu naast De weermaker kunnen leggen. Een Toggenburgs dronkemanslied luidt in Webers origineel: De Hoselade asenoffe/hemmer henenobe umegsoffe/ do semmer ase huere bsoffe/det hene 's Bort ab gloffe, etcetera etcetera. Meijerink maakt daarvan: 'De gullep helemaal ope/hebben we achter de berg gezope/daar zijn we straalbezope/de helling afgekrope'. Niet slecht: de zanger heeft weinig scholing genoten en dat blijkt ook uit de vertaling. Meer moeite heeft Meijerink met plotse tussenvoegsels in het Swytzerdütsch, met Und jetzt gang zom Moo. Nöd aalange bijvoorbeeld. Dat wordt bij haar: 'En nu goan noor maa. Neut aakomme.' Opeens zag ik een Brabander voor me, wat niet de bedoeling van Weber kan zijn.

Een deel van de sfeer die de schrijver zo virtuoos oproept gaat dus in de vertaling verloren, maar dat betekent nog niet dat zij die geen Duits willen lezen de roman dan maar moeten negeren. Ook in de Nederlandse versie oefent Toggenburg een mateloze fascinatie uit omdat Peter Weber het verhaal van zijn streek naar een mythisch niveau tilt waar vreemde wezens vertoeven, zoals de Etruskische weermaakster Ana. De ik-verteller voelt zich met Ana verwant. Net als zij zweeft hij boven de bergen; zijn blik reikt tot aan de Rijn in het noorden en de Matterhorn in het zuiden en door dat vogelvluchtperspectief lijken de mensen in de dalen zowel klein en kwetsbaar als moedig en groots. Want er is lef voor nodig om je staande te houden in een landschap van graniet, water, moerasgrond en sneeuw. En tussen de bergen hangt altijd een deken van mist, waar alleen de goden doorheen kunnen kijken.

Abraham August Abderhalden stelt zichzelf op één lijn met die goden omdat hij als verteller evenveel macht heeft als zij. Wanneer Abraham August Abderhalden wil dat het gaat regenen, dan gebéurt dat ook. Wil hij dat de rivier uit zijn oevers treedt, dan tréédt hij ook uit zijn oevers, in de letterlijke en figuurlijke zin van het woord: zodra de Thur uitdijt, dijt automatisch de vertelstroom uit en vice versa. Die tovenarij krijgt Abraham August voor elkaar vanuit een donkere kelder. Hij heeft zich daar verschanst omdat hij het in de flat van zijn ouders niet langer uithield. Zojuist is hij twintig geworden en nu is het tijd, vindt hij, om uit te zoeken waar hij vandaan komt. Gezeten achter een schrijftafeltje en getooid met een van zijn vader gekregen conducteurspet ontdekt Abraham August Abderhalden het vermogen de geschiedenis naar zijn hand te zetten.

Blauw en bruin

Hij is een aangenomen kind; in het gezin waar hij terechtkwam heeft hij zich nooit veilig gevoeld en juist daarom is het voor hem van levensbelang een oord te scheppen waar hij zich wèl thuis kan voelen. Zijn heimat is een legendarisch Toggenburg, waar reeds de bet-overgrootouders van zijn adoptiefvader door boosaardige goden werden neergeplant. De eerste Abderhaldens waren wevers, latere clangenoten openden hotels voor de toeristen en de jongste loot aan de stam is opnieuw een wever - niet van stoffen maar van teksten. Peter Weber (een pseudoniem?) verweeft de sociaal-economische Werdegang van de familie Abderhalden heel behendig met de mysterieuze geschiedenis van de verteller. Als baby, bekent deze, had hij tussen zijn benen een spleet die hij de weerspleet noemt.

Abraham August Abderhalden, die behalve twee geslachtsorganen ook nog eens één blauw en één bruin oog heeft, is in elk opzicht buitengewoon. Praten doet hij niet, hij verkoos reeds vroeg te zwijgen. Alleen op papier kan hij zich uiten, alleen op papier wendt de Ik zich tot een Jij, die soms moeder Ute, soms vader Melchior, soms broertje Freitag is. De Jij is ook een geheimzinnige geliefde: weermaakster Ana misschien?

Peter Weber kan goed fabuleren. De verteller die hij daarbij heeft ingeschakeld maakt zelfs van de moderne tijd met zijn torenflats en snelwegen nog iets bijzonders. Wat dat betreft lijkt Weber op Peter Handke, die de nieuwe dingen in een landschap evenzeer de moeite van het vereeuwigen waard vindt als de oude. Maar bij Peter Weber klinkt er meer kritiek in de beschrijvingen van het nieuwe door. En dat doet dan weer denken aan de jonge Günter Grass, die zijn maatschappijkritiek ook spuide met behulp van een bizarre verteller. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Günter Grass de loftrompet over Peter Weber gestoken heeft. Dankzij Grass en de lovende kritieken van recensenten uit de Alpenlanden was Webers reputatie met zijn eersteling Der Wettermacher in één klap gevestigd.

De in 1968 in Wattwil, Toggenburg, geboren auteur heeft ook zijn leeftijd mee. Bij het verschijnen van zijn debuut, ruim twee jaar geleden, hoopten velen vurig dat de jonge, wilde Weber de in versukkeling geraakte Duitstalige literatuur zou komen redden. Zulke hooggespannen verwachtingen lijken mij nogal riskant. Zeker is alleen dat Der Wettermacher net zoveel kracht bezit als het weer op een stormachtige dag. Om maar weer eens een aan de roman ontleende metafoor te gebruiken die wel erg bleekjes afsteekt bij de bruisende symbolentaal van weermaker Peter Weber zelf.