Politici in Suriname moeten nu eerst hun zwijgcultuur doorbreken

Twintig jaar na de onafhankelijkheid van Suriname zijn de banden met Nederland inniger dan ervoor. Tegelijkertijd lijken de wederzijdse misverstanden soms groter dan ooit. Volgens Hans Buddingh' en Sjoerd de Jong zijn nu allereerst de Surinaamse politici aan zet om dat te veranderen. Het ouderwetse nationalisme moet worden verlaten.

Moeizame betrekkingen zijn een constante in de historie van Nederland en Suriname. Al in 1935 riep premier Colijn in de Eerste Kamer over de zwaar gesubsidieerde kolonie uit: “Alles wat in Suriname is beproefd, het is alles eenvoudig mislukt. (...) En daarom wilde ik wel, dat er eenmaal in Nederland iemand opstond die wèl wist wat er gedaan zou kunnen worden.”

Een halve eeuw later staan de relaties nog steeds sterk onder druk, nu van postkoloniale (on)gevoeligheden en irritatie over de onverminderde hulpbehoevendheid van de 'kapotte plantage'. Gekrenkte trots, respectievelijk ergernis over onbegrepen goede bedoelingen, maken de politieke betrekkingen tot een psychologisch doolhof.

De voortdurende frustraties zijn voor een deel het gevolg van de recente economische ontreddering van Suriname. Het touwtrekken om geld en economische hervormingen, het stopzetten van de betalingsbalanssteun, de Canossa-gang naar het IMF die Suriname weigerde te maken. Het heeft het beeld bevestigd van Suriname als een land waar niets wil lukken, en van Nederland als paternalistische ex- (of re-)kolonisator.

Die beeldvorming wordt van Surinaamse zijde in de hand gewerkt door het gevoel machteloos te staan tegenover een grote buurman, die zich in Surinaamse ogen niet altijd ontpopt als een verre vriend. Geen makkelijker pleister voor de ziel van een klein, gewond land dan de veronderstelde machtspolitiek van een welvarende ex-kolonisator. Voeg daarbij de berichten over globalisering en economische blokvorming, en een complottheorie is snel geboren. Vandaar opmerkingen zoals onlangs gemaakt door president Ronald Venetiaan over een mogelijke 'verborgen agenda' van Nederland.

In wat soms lijkt op een behoefte aan morele zelfrechtvaardiging hebben bovendien Surinaamse expatriates in Nederland de clichés over hun voormalige vaderland bij tijd en wijle eerder versterkt dan genuanceerd. De onafhankelijkheid van dit land, schreef Anil Ramdas vorig jaar in deze krant, was “waarschijnlijk de onmogelijkste van de wereld”. Onmogelijker dan die van Bosnië, of Rwanda? De term 'kapotte plantage' dreigt zo tot een misleidend cliché te worden.

Beide landen zijn nu het meest gebaat bij een verdere invulling van het Raamverdrag tussen Den Haag en Paramaribo uit 1992. Dat verdrag biedt heel goede mogelijkheden om de bijzondere betrekkingen op uiteenlopende gebieden te intensiveren, met respect voor de Surinaamse soevereiniteit. Een Gemenebest, waar sommigen zich zowel daar als hier sterk voor maken, zou de daadwerkelijke emancipatie van Suriname in de weg staan, integratie in de regio bemoeilijken en de gevoeligheden aan weerszijden van de Atlantische Oceaan versterken.

Enkele relevante feiten over het land zijn nu ook anders: de Surinaamse regering heeft weliswaar veel te lang getalmd met economische hervormingen - de door etnische groepsbelangen geïnspireerde coalitiepartijen hielden elkaar jarenlang in een verlammende houdgreep - maar tekenen van een beginnend herstel zijn nu toch onmiskenbaar. De wisselkoers is gestabiliseerd. De exportsector is daardoor weer rendabel. De zwarte handel is in het nauw gebracht. De overheidsbegroting is in evenwicht en de bankbiljettenpers draait bijgevolg geen overuren meer. Er is met andere woorden een macro-economisch evenwicht bereikt.

Dat neemt niet weg dat een groot deel van de bevolking daar nog weinig van merkt. Ook de middenklasse is sterk verarmd, terwijl een kleine elite in het schemerduister van de militaire dictatuur en in het voortgezette, traditionele cliëntelisme van de jaren erna, zich op schandalige wijze heeft verrijkt. Succes staat voor de Surinaamse regering derhalve niet vast, dat is zo, maar dat het 'niet meer goed komt' evenmin.

Die pessimistische prognose moet nu allereerst in Suriname worden ontkracht. De Surinaamse ex-premier en voormalig leider van de creoolse Nationale Partij Suriname (NPS) Henck Arron deed vorige week in de tv-documentaire 'De Verwelkte Ruiker' een hoopvolle uitspraak. Arron zei onverbloemd dat Suriname vooral de hand in eigen boezem moet steken, als het gaat om de mislukkingen sinds de onafhankelijkheid.

Zulke zelfkritiek uit de mond van een prominent politicus is in de Surinaamse verhoudingen opmerkelijk, wat op zich al tot nadenken moet stemmen. Te lang heeft de Nederlandse bemoeienis met Suriname voor de lokale politieke elite als alibi gegolden. Wat natuurlijk geenszins wil zeggen dat van Nederlandse zijde geen fouten zijn gemaakt.

Arron legde, zonder dat overigens uit te spreken, de vinger op de politieke cultuur in Suriname, die veranderingen eerder afremt dan bevordert. Dat hangt deels samen met het broze evenwicht tussen de verschillende etnische groepen. In het licht van gebeurtenissen in Afrikaanse landen en het voormalige Joegoslavië mag het zeker tot de verdienste van de Surinaamse politici worden gerekend, dat de vreedzame coëxistentie tussen de bevolkingsgroepen nooit werkelijk in gevaar is geweest. Jaggernath Lachmon van de hindostaanse VHP en 'Jopie' Pengel van de NPS legden er in de jaren vijftig met hun 'verbroederingspolitiek' de basis voor.

De Surinaamse politieke evenwichtskunst is echter ontaard in politiek immobilisme. En als er al belangrijke veranderingen plaatsvinden, dan zijn die vaak eerder het gevolg van omstandigheden dan van beleidsbeslissingen. Zo aanvaardde het Surinaamse parlement in 1992, ruim vijf jaar na het herstel van het burgerbewind, een structureel aanpassingsprogramma, maar begon de daadwerkelijke economische sanering pas in 1994. Dat was nadat de nieuwe president van de Centrale Bank had geweigerd geld bij te drukken en de regering dientengevolge een toegezegde verhoging van de ambtenarensalarissen moest uitstellen. En het vertrek van Desi Bouterse als legerleider in 1993 was niet zozeer het gevolg van een weloverwogen beleidsbeslissing alswel van een incident waarbij Bouterse een spreekverbod van de president overtrad.

Om onzekerheden uit te bannen is de politieke macht in Suriname altijd sterk geconcentreerd geweest bij de regering in Paramaribo. Van bestuurlijke decentralisatie is dan ook nooit erg veel terechtgekomen. Surinaamse politici regeren bovendien het liefst op informele wijze, omdat objectieve regels het gebruikelijke wheelen en dealen bemoeilijken. Geen wonder dat met de voortreffelijke rapporten van de Surinaamse Rekenkamer nooit iets gebeurt: ministers plegen vragen simpelweg onbeantwoord te laten en het parlement maakt er niet serieus werk van. De traditionele Surinaamse politiek is in feite weinig gebaat bij objectieve feiten, omdat die de speelruimte beperken. De sterke bemoeienis van de staat met de economie past geheel in dat beeld.

Een publiek debat over maatschappelijke kwesties wordt in Suriname zelden gevoerd. Het is niet toevallig dat president Venetiaan enkele jaren geleden een debat op de staatstelevisie over structurele aanpassing simpelweg verbood. De 'oude' politieke partijen functioneren altijd nog te veel als een vooroorlogse kiesvereniging.

Het nieuwe profiel van Desi Bouterse als self-made-miljonair wordt mede daardoor aanlokkelijk voor een deel van het electoraat, in het bijzonder de volkscreolen. Voor deze minderbedeelde Surinamers is Bouterse het bewijs dat persoonlijk succes mogelijk is los van de traditionele patronagesystemen - die de 'oude' partijen door de economische achteruitgang nauwelijks nog kunnen hanteren. De ex-legerleider is voor hen een rolmodel. Hij wekt de verwachting dat in plaats van het cliëntelisme de meritocratie zijn intrede doet. Voor de cynicus: Bouterse's loopbaan als vindingrijk pragmaticus, en niet te vergeten zijn eigen rol op de globale markt voor genotsmiddelen, passen ook veel beter bij het huidige 'wereldmarkt-denken' dan het versleten tiers-mondisme van de ouderwetse nationalist Venetiaan.

Dat de 'oude' partijen met het door Nederland gefinancierde 'sociale vangnet' proberen de kiezers voor de verkiezingen van volgend voorjaar te paaien, valt onder deze omstandigheden op zijn minst te begrijpen. Tegelijkertijd zouden zij een poging moeten doen het 'fatsoenlijke' Suriname te revitaliseren.

Wat Nederland betreft: als het Den Haag ernst is met het strafrechtelijk onderzoek naar Bouterse's drugsconnecties moet het niet, zoals halverwege de jaren tachtig, afzien van vervolging om redenen van opportuniteit. Den Haag mag zich wel eens afvragen hoe het de afgelopen jaren was gelopen als godfather Bouterse destijds wèl was aangepakt.

Ex-premier Arron stelde vorige week tijdens een seminar in Suriname dat de moreel-ethische problemen de toelaatbare grenzen hebben overschreden. In Suriname is een politieke 'zwijgcultuur' gemeengoed geworden, die niet alleen de maatschappelijke moraal heeft ondermijnd, maar ook de economie, waar het 'snelle geld' voor velen de norm is geworden. Met die zwijgcultuur moet nu eindelijk worden gebroken.