Op God moet je niet wachten; Leon de Winter en het geloof in wonderen

Leon de Winter: Zionoco. Uitg. De Bezige Bij, 380 blz. Prijs ƒ 35,-.

Sol nam de fles van de hals.

'Hij is dood', zei hij.

Enkele minuten later, nadat hij in recordtijd een kwart van de fles had geledigd, begon hij opnieuw te grienen.

(-) Bidden, dacht hij met een verre stem, kaddisj voor zijn vader. Jitkadal wejitkadasj sjemee rabba... zelfs die woorden was hij kwijt.

Hij sleurde zich op zijn knieën maar hij had geen kracht om zich op te richten en te gaan staan. Op handen en voeten trok hij zichzelf naar Mordechai's werkkamer. Papa is dood, dacht hij, en ik heb hem nooit gezegd dat ik van hem hield. Ik hield van hem. Ondanks alles. Hij heeft nooit goed naar me gekeken. De zak is nu dood. God, de hufter is nu dood. Jouw leven, jouw sores.

Hij duwde de deur open en probeerde zich aan de deurpost op te trekken.

Zijn vader stond voor zijn bureau. UIT: LEON DE WINTER, ZIONOCO

Wie Zionoco wil waarderen, moet bereid zijn te geloven in de oerscène van het boek. Sol Mayer, even in de dertig, jood van geboorte, heeft een broertje dood aan God. Zijn vader is rabbijn, maar die heeft nooit veel naar hem omgekeken en hij gaat zijn eigen gang - dat is te zeggen, loopt in zeven sloten tegelijk. Hij drinkt, hij stopt zijn geld in de verkeerde zaken en maakt schulden. In zijn nood klopt hij ten slotte bij zijn vader aan om kapitaal te lenen, maar de oude weigert, tot zijn woede. 'Zijn vader stak geen hand uit.'

En dan gebeurt het.

Als zijn vader voor een missie naar Suriname reist, gaat de jonge Mayer naar zijn huis om 'verkoopbare spullen te zoeken' en te halen wat hij niet gekregen heeft. Maar hij is nog niet binnen of de huishoudster vertelt hem dat de rebbe bij een tocht op een rivier bij Paramaribo verdwenen en dus kennelijk verongelukt is. Door zijn woede breekt een gevoel van schuld en schaamte, en voor het eerst in jaren voelt hij de behoefte om te bidden. Hij zoekt vaders gebedenboek, vergeefs, dat is natuurlijk ook in Suriname, slaat een fles Remy Martin achterover, strompelt kotsend door de kamers en ziet plotseling... zijn vader. Liefdevol kijkt die hem aan. En mocht hij denken dat hij lijdt aan een delirium, wanneer hij wakker wordt ligt naast zijn hoofd het boek, nog klam van het tropische water.

Een wonder.

Dat is voor de lezer even slikken, bij een onversneden realistisch schrijver als Leon de Winter. Geloven kun je het nauwelijks, je moet het doen met de geruststelling dat Mayer zelf er twaalf jaar later, waar Zionoco begint, ook nog steeds geen raad mee weet. Hij is tot God gekomen en rabbijn geworden, in het voetspoor van zijn vader, maar hij zwijgt als het graf over het uur dat hij zijn roeping vond en spreekt alleen in algemene termen over het bestaan van wonderen. 'We ademen in een tijd', zegt hij, 'waarin wonderen zich niet meer zo sterk in ons leven kunnen manifesteren (-).'

Daar getuigt zijn omgeving van. Mayer werkt in de grootste synagoge van New York en weet zich daar geliefd, een darling van de jet-set, maar Gods adem komt er zelden aan te pas. Zijn secretaresse zegt hem wie hij moet bezoeken en waarom, geboorte of juist dood. Hij haalt de files uit de computer, leert de namen uit het hoofd en gaat soms zo op in het spel van zijn betrokkenheid dat hij daadwerkelijk geroerd raakt, maar blijft sprakeloos als hem gevraagd wordt hoe een God van rechtvaardigheid een kind kan laten sterven. Zijn verhouding met het hogere blijft 'ontnuchterend eenrichtingsverkeer'. Ook God steekt geen hand uit.

Dat brengt De Winter en zijn lezers terug op bekend terrein. Rabbijn Mayer lijkt op de textielboer Breslauer uit Supertex, eveneens een jood die in het voetspoor van zijn vader treedt om naderhand pas te ontdekken dat hij niet bij machte is die rol behoorlijk te vervullen. De geest ontbreekt, het blijft bij dode vorm, en dat is ook wat Mayer merkt. Zijn jodendom is weinig anders dan conventie, een korset 'dat hem een vorm gaf op plekken waar hij, vreesde hij, vormloos geboren was'.

Zijn groeiende verzet tegen dat keurslijf, vijfduizend jaar aan joodse traditie, wordt de motor van zijn lotgevallen. Ook al wacht hem als society-rabbijn een schitterend verschiet, te meer daar hij getrouwd is met een dochter uit een steenrijke familie die zijn loopbaan desgewenst een zetje geeft, hij zet alles op het spel voor een bevlieging. Hij ontmoet een vrouw 'wier totale wezen door zijn wellustige ogen gereduceerd werd tot een kut met ledematen', en hoezeer hem dat ook schokt, hij zal niet rusten voor hij weet wat hem bezielt. Hij zoekt haar op, hoort in zijn hoofd de zinnelijke verzen van het Hooglied als ze praat en voelt ineens de vreemde overgave en verplettering van twaalf jaar eerder. 'Er bestaan wonderen', denkt hij. 'Zoals jij.'

In filmische, ingenieus gemonteerde scènes bouwt De Winter die ontdekking uit tot een klassiek conflict tussen gemeenschap en individu, norm en geluk. Waar het rabbinaat houvast zoekt in tradities, rituelen, regels, daar komt Mayer tot het inzicht dat de openbaring van het goddelijke vaak juist buiten die versteende vormen ligt, in de spontane krachten van liefde en lust. Maar als hij bij zijn avonturen wordt gesnapt, wat prompt gebeurt, mag hij in één dag ondervinden wat zijn wereld doet met dissidente geesten. Hij wordt tot ontslag gedwongen, uitgekotst en afgeschreven.

Dat brengt je als lezer op een moeilijk punt. De arme Mayer, eenzaam en ontluisterd, reist af naar Suriname, de laatste buitenplaats waar hij nog als rabbijn terecht kan, en de schrijver boven zijn hoofd hoopt onmiskenbaar dat je met hem meeleeft. Maar het wonder dat hem twaalf jaar eerder tot God en nu ten val gebracht heeft is nog steeds een schimmig fenomeen dat je op afstand houdt. Hij blijft een man om fronsend te bekijken - en misschien is dat wel wat De Winter tot de krachtproef van het boek brengt. In de Surinaamse rimboe, meer dan ooit verlangend naar een uitgestoken hand, gaat Mayer op zoek naar een begrip, een mechaniek haast, van het wonder.

Het moment dat God zich in de wereld zelden meer liet zien, zegt hij, kwam toen de Verlichting meende dat de mens het ook wel af kon zonder Hem. Het was de mens die grenzen stelde aan Zijn doen en laten en het moet dus ook de mens zijn die Hem terugroept. Het is aan hem, Mayer, om een hand uit te steken en het wonder tegemoet te treden, zonder af te wachten tot het zich uit eigen beweging meldt. Hij bedenkt zich dat zijn vader hier op de rivier verdwenen is, hij hoort dat de oude toen op weg was naar een berg die Zionoco heet, een Zionsberg, en plotseling weet hij wat hem te doen staat.

Zo troont De Winter je mee naar een slot, verlossend, louterend, dat moeilijk te omschrijven valt zonder het weg te geven. Mayer wacht een derde wonder, dat spreekt, en het eerste komt vervolgens in een heel nieuw licht te staan. Wat duister was wordt helder, alles reikt naar het sublieme. Maar als lezer onderga je iets anders. Na 350 pagina's knap en ingetogen proza, dat in weerwil van De Winters reputatie als auteur van hapklaar leesvoer een complexe werkelijkheid weet op te roepen, val je binnen in een wereld waar de stoutste dromen waar blijken te zijn en het geluk je zomaar in de schoot valt. Als dat de wereld is van God, dan is Zijn naam Walt Disney.

'Wie niet in wonderen gelooft', zegt het motto van Zionoco, 'is geen realist.' Maar wie die wonderen als realiteit ziet, ben ik bang, vernietigt het geloof.