Onbekommerd reizen in dienst van de partij; Kritische biografie van cineast Joris Ivens

De communistische filmer Joris Ivens was niet zo'n onafhankelijke geest als wel wordt beweerd. “Hij dacht gewoon net zoals de partij,” zegt Hans Schoots, die een kritische biografie over Ivens schreef. Schoots had daarbij beschikking over gegevens die niet eerder openbaar waren. “Met zijn dood zijn velen tot de conclusie gekomen dat Ivens nu toch echt geschiedenis is geworden.”

Hans Schoots: Gevaarlijk leven. Een biografie van Joris Ivens. Uitgeverij Jan Mets, Amsterdam, 1995. 560 blz. Prijs ƒ 69,50 (Het boek verschijnt morgen)

Achteraf bezien heeft minister Elco Brinkman zich in 1985 een heel klein beetje belachelijk gemaakt, door in dat jaar een gang naar Canossa te ondernemen en in Parijs eigenhandig het door de Nederlandse Filmdagen aan de filmer Joris Ivens toegekende Gouden Kalf te gaan overhandigen. Een ereschuld van Nederland aan Ivens werd gedelgd, zo vatten overheid, Ivens en pers destijds de gang van de Nederlandse minister van WVC op. Ivens had zelf trouwens laten weten zelfs niet bereid te zijn het Gouden Kalf in ontvangst te nemen, wanneer de Nederlandse overheid niet klip en klaar toe zou geven tegenover hem 'fout' te zijn geweest.

Ivens-biograaf Hans Schoots (1950) acht de gang van zaken in 1985 'wat overtrokken'. In zijn boek Gevaarlijk leven, de eerste biografie van Ivens waarbij de in 1989 overleden filmmaker niet zelf over de schouder van de auteur heeft meegelezen, blijkt ondermeer, dat Joris Ivens zijn eigen conflict met Nederland steeds schromelijk heeft overdreven. Ivens was inzake Nederland steeds overgevoelig: “Vanaf het begin van zijn carrière heeft een deel van de Nederlandse filmkritiek hem verweten dat het allemaal heel knap en mooi was wat hij deed, maar dat het gevoel erin ontbrak, dat het duidelijk films van een ingenieur waren. En dan is er de houding van zijn vader, die liever had gezien dat zoon Joris leiding had gegeven aan het familie-fotobedrijf Capi, en al dat kunstzinnige gedoe met films maar een beetje onzin vond”. De houding van de vaderlandse overheden jegens zijn persoon vormden, denkt Schoots, voor de oudere Ivens een aanleiding om deze persoonlijke sentimenten op een hoger, principieel plan te tillen.

'Ereschuld' en 'onrecht' - dat waren de termen waarin de 'kwestie Ivens' veelal werd beschreven. De filmer zelf heeft aan deze benadering ook uitvoerig voedsel gegeven door bijvoorbeeld in zijn autobiografie te vertellen dat hem, wegens zijn progressieve instelling en zijn aanvaring met de koloniale autoriteiten bij het maken van de film Indonesia calling van 1948 tot 1957 een Nederlands paspoort was onthouden, zodat hij niet kon reizen en noodgedwongen in Oost-Europa moest blijven. “Daarmee heeft Ivens zelf een mythe de wereld in geholpen”, vertelt Schoots. “Ivens is wel gepest met zijn paspoort, in die zin dat het op consulaten na 1948 steeds voor korte perioden, drie maanden bijvoorbeeld, werd verlengd. Slechts eenmaal heeft Ivens een half jaar zonder paspoort gezeten, toen er naar alle gezantschappen van Nederland een instructie was uitgegaan dat aan Ivens geen nieuw paspoort, maar een eenmalig laissez passer voor de reis naar Den Haag moest worden uitgereikt”.

Ivens ondernam, toen hij in 1950 op het consulaat in Parijs het merkwaardige document in ontvangst nam, geenszins een reis naar Den Haag, wellicht vrezend dat hij - een erkende communist in de hoogtijdagen van de Koude Oorlog - dan zou worden gearresteerd, waarbij de verwikkelingen rond Indonesia calling wellicht als kapstok konden dienen. Van Nederlandse zijde werd immers, naar uit Gevaarlijk leven blijkt grotendeels ten onrechte, beweerd dat hij op verraderlijke wijze van een Nederlandse overheidsopdracht voor het maken van een film over de bevrijding van Nederlands-Indië gebruik had gemaakt om een film te draaien waarin de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging werd gesteund.

Eind 1950 kreeg Ivens zijn paspoort terug, en reisde al deze jaren overigens ook onbekommerd de wereld door. “Dat hij gedwongen was in Oost-Europa te blijven is niet waar, hij reisde ook naar het Westen. En trouwens, hij was in deze jaren graag in Oost-Europa”, vertelt Schoots.

Propagandist

Zo'n zes jaar na Ivens' overlijden is het rumoer rond de persoon van de in 1898 geboren filmer nog altijd niet geheel verstomd. De eerbiedige benadering van de links-geëngageerde kunstenaar verdween om, na de verdwijning van het wereldcommunisme, plaats te maken voor beschouwingen - van onder anderen Michel Korzec, Theo van Gogh, Frits Bolkestein of Henk Wesseling - waarin Ivens als een braaf propagandist van abjecte totalitaire regimes wordt voorgesteld, die eerder zou moeten worden verguisd dan geëerd.

Is het niet moeilijk, om in zo'n polemische atmosfeer een zakelijke en kritische biografie te schrijven, als Schoots gedaan heeft? “Wat vooral veel geholpen heeft, is dat Ivens was overleden”, vertelt de biograaf. Bij leven had Ivens de beeldvorming rond zijn persoon steeds scherp in de gaten gehouden, waardoor iedere poging daartoe steeds in hagiografie is geëindigd. “Maar met zijn dood zijn velen tot de conclusie gekomen dat Ivens nu toch echt geschiedenis is geworden”. En zo mocht Schoots, die aanvankelijk slechts een monografie over Ivens in de Spaanse burgeroorlog wilde schrijven maar bij de aanvang van zijn werkzaamheden in 1990 begreep dat er over Ivens heel veel nog onbekend materiaal was, zich verheugen in de loyale medewerking van velen.

Onder hen waren enkele van de belangrijkste vrouwen uit Ivens' leven, zoals Marion Michelle, zijn partner van 1944 tot 1951, en de Poolse dichteres-vertaalster Ewa Fiszer, zijn echtgenote van 1951 tot 1963. Met Ivens' laatste vrouw, de Franse filmmaakster Marceline Loridan, heeft Schoots weliswaar uitvoerig gesproken, maar eerder dit jaar heeft zij - overigens zonder de biografie gelezen te hebben - besloten dat het een 'polemisch' geschrift zou worden en Schoots verboden van de gesprekken gebruik te maken. “Ofschoon ze daartoe formeel het recht niet had, hebben we daaraan toch maar gehoor gegeven, temeer daar de meeste gegevens uit deze gesprekken ook wel op een andere manier beschikbaar waren”, vertelt Schoots. “Jammer is het wel. Loridan neemt ten aanzien van haar overleden echtgenoot een zeer protectionistische houding aan. Zo'n houding pakt vaak niet in het voordeel van de overledene uit”.

Meer betreurt de biograaf het niet met Helene van Dongen te hebben kunnen spreken. Met deze voormalige secretaresse uit vaders Capi-bedrijf heeft Ivens vanaf het begin van de jaren dertig tot 1944 niet alleen een affectieve verhouding gehad, maar ook een professionele: Van Dongen monteerde in Nederland al Zuiderzee en Nieuwe gronden, en bleef een rol spelen toen de reislustige cineast zijn werkterrein naar China, Spanje en Moskou verplaatste. Ze volgde Ivens ook naar de Verenigde Staten, waar hij zich voor de oorlog vestigde, en bouwde daar een zelfstandige carrière op in het filmbedrijf.

In een van de meest opmerkelijke, door Schoots opgediepte, documenten wordt het einde van de verhouding tussen Van Dongen en Ivens beschreven door de ogen van een FBI-agent. Die schaduwde de communist Ivens op zijn laatste dag in 1944 in Los Angeles, voordat hij naar Indonesië zou vertrekken om een film over de bevrijding van Nederlands-Indië te gaan draaien. De agent beschrijft eerst het afscheid van de echtelieden, en constateert vervolgens dat Ivens een andere vrouw afhaalt in een hotel, om met haar de reis aan te gaan. Die andere vrouw was Marion Michelle, met wie Ivens twee dagen na zijn huwelijk met Van Dongen (op Nieuwjaarsdag 1944) een verhouding was begonnen. Helene van Dongen, die dacht dat zij met de cineast mee mocht naar Australië, moest aanzien dat hij daarvoor een ander had verkoren.

Beminnelijk

“Het is onder deze omstandigheden wellicht begrijpelijk dat Helene van Dongen tegenwoordig geen behoefte meer heeft om over Ivens te spreken”, geeft Schoots toe. “Maar jammer is het wel. Het is trouwens opmerkelijk dat Marion Michelle en Ewa Fiszer nog steeds met grote affectie over hem spreken. Zij hebben tot het einde van zijn leven ook contact met hem onderhouden”. Belangrijk in dit verband, meent Schoots, is dat Ivens in zijn persoonlijk leven ook een daadwerkelijk beminnelijk mens is geweest, niet iemand die het conflict zocht. Hij was weliswaar wel steeds weg, op reis naar alle uithoeken van de wereld, maar vrouwen hebben in zijn leven steeds een grote rol gespeeld.

Zo was het een minnares, de Nederlandse beeldend kunstenares Anneke van der Feer, die Ivens eind jaren twintig in contact heeft gebracht met de Vereniging voor volkscultuur, de Nederlandse sectie van de Internationale Rode Hulp. Deze ontmoeting zou vérstrekkende gevolgen hebben, want de Internationale Rode Hulp was een van de vele, door de Duitse communist Willi Münzenberg geleide, organisaties waarmee de bolsjewistische leiders in Moskou poogden internationale propaganda te bedrijven voor hun revolutionaire staat en revolutie. Eerder had een vrouw, de Duitse fotografe Germaine Krull, met wie Ivens jarenlang een 'vrije' verhouding onderhield, hem al met het communisme in contact gebracht. Zelf was deze Krull, met wie Ivens overigens van 1927 tot 1943 gehuwd is geweest, vanuit een links-revolutionair standpunt al in 1921 tot de ontdekking gekomen dat het in de Sovjet-staat niet pluis was, en zou leiden tot een autoritaire dictatuur. Deze laatste les is aan Ivens echter niet besteed geweest.

Want dat Ivens tot in de jaren zestig een instrument van Moskou is geweest, wordt uit Schoots biografie overvloedig duidelijk. Bij zijn 'eerherstel' in het naoorlogse Nederland zijn vaak zijn onafhankelijkheid en kritische geest geroemd, maar dergelijke loftuitingen houden geen stand in het licht van de werkelijke gang van zaken. Ivens was trouwens sinds 1931 ook gewoon communistisch partijlid, en wel via de CPH (later CPN), de Nederlandse afdeling van de Derde internationale. Via de Internationale Rode Hulp raakt Ivens betrokken bij de filminitiatieven van Willi Münzenberg (die later brak met het communisme uit protest tegen het Hitler-Stalinpakt, in 1939 in Frankrijk vermoord werd teruggevonden en door Ivens in zijn autobiografie niet vermeld is), zoals de organisatie Mezjrabpom die in de Sovjet-Unie zijn eigen filmstudios had. In 1938 laat Ivens zich naar China sturen, als de Derde internationale daar de revolutie wil bevorderen. Ook zijn werk in Spanje en in het naoorlogse Oost-Europa wordt verricht in welhaast ambtelijke gehoorzaamheid aan de partij.

“Ivens geloofde in de partij”, constateert Schoots. “En hij heeft de daarbij behorende discipline met grote consistentie omarmd. Als de partij iets zei, dan deed hij het. Waar hij in zijn contacten met Nederland een grote gevoeligheid aan de dag heeft gelegd voor elke kritiek, zijn er geen gevallen bekend waarin hij zich heeft verzet tegen de partijcensuur. Hij heeft misschien wel af en toe gemopperd, maar hij heeft zich er steeds bij neergelegd. Misschien is 'neerleggen' nog teveel gezegd: hij dacht gewoon net zo als de partij”.

Stalinisme

Achteraf bezien leidde die houding natuurlijk tot pijnlijke situaties. Neem al die buitenlandse communisten met wie Ivens in Moskou in de jaren dertig samenwerkte - slechts zeer weinigen van hen hebben de Stalin-terreur overleefd, zonder dat van Ivens daarop ook maar enig commentaar bekend is. Schoots: “Dat is natuurlijk moeilijk te doorgronden en niet typisch voor Ivens alleen. De geëxecuteerden zelf, zoals bekend, stierven soms met een 'leve Stalin' op de lippen. Een rol speelt misschien dat Ivens, met al zijn reizen, toch maar betrekkelijk oppervlakkige vriendschappen onderhield. En hij was geen reflectief ingesteld iemand, denk ik. Ik vermoed niet dat hij voor 1981 zijn ervaringen systematiseerde”.

Ivens heeft zichzelf om gelovig communistisch partijganger te zijn, 'weinig geweld hoeven aan te doen', meent Schoots. “De partij was misschien ook wel de enige rode draad in zijn verder onbestendige leven, zijn enige houvast. De partij bood hem ook bepaalde vormen van vrijheid en avontuur. Waar hij ook heenging, altijd waren er kameraden die met spanning op hem wachtten. En het was niet zo dat er steeds iemand over zijn schouder stond mee te kijken, in China in 1938 bij de opnamen voor The 400 million bijvoorbeeld. Ze wisten gewoon dat ze hem konden vertrouwen”.

De revolutionaire filmer Ivens heeft overigens wel bepaalde vormen van inkapseling, existentiële, van de hand gewezen. Voor hem geen riante villa in het communistische Oost-Berlijn, zoals hem werd aangeboden. Hij bleef liever een eeuwige reiziger, die een hotelkamer of desnoods ergens ter wereld een klein, tijdelijk flatje betrok.

Die mobiliteit behield hij, toen in de jaren zestig zijn belangstelling voor het Oosteuropese communisme verflauwde. “Ivens referentiekader is zijn hele leven het stalinisme gebleven”, meent Schoots. En van Chroesjtsjovs voorzichtige destalinisatie wilde de progressieve cineast dan ook weinig weten. De verwijdering tot Oost-Europa uit zich in eerste instantie in belangstelling voor Cuba, waar Ivens als filmdocent vrijwel in overheidsdienst trad. Maar op den duur was het toch vooral China, waar voorzitter Mao garant leek te staan voor het behoud van de stalinistische waarden tegen het Sovjet-revisionisme. Schoots laat zien dat Ivens afkeer van het Sovjet-socialisme en zijn keuze voor China voor een deel op het conto van de invloed van Marceline Loridan kunnen worden geschreven.

De bewondering voor China zou Ivens een van zijn grootste internationale successen brengen, het twaalf uur durende epos Hoe Yukong de bergen verplaatste, een beeld van het China als het land van de 'permanente revolutie'. De grote belangstelling in die jaren leidde tot vertoning in een groot aantal landen, zodat de bejaarde Peking-ganger bijvoorbeeld ook na vele jaren weer eens de VS aandeed, per Concorde. In Nederland heeft de NOS de film in 1977 integraal op de Nederlandse buis gebracht en de film werd ook in Nederland door de kritiek over het algemeen positief ontvangen. Na de dood van Mao en de arrestatie van de 'Bende van vier', waarmee Peking de door Ivens zo gloedvol bezongen zegeningen van de Culturele revolutie afzwoor, heeft Ivens zelf in 1985 verdere vertoning van Yukong verboden, een verbod waaraan zijn weduwe Loridan tot op de huidige dag vasthoudt.

Biograaf Schoots kan zich Yukong nog wel herinneren. Niet alleen omdat hij filmliefhebber is, maar ook omdat hijzelf in de jaren '70 maoïst was. “Dat verklaart ook voor een deel mijn belangstelling voor Ivens”, zegt hij. “Zijn leven lang is hij geëngageerd geweest, en het interesseerde mij hoe dat werkte”. Zijn boek, zegt hij, “is niet bedoeld als een afrekening. Het is een serieuze historische studie, en ik meen ook dat Ivens recht heeft op zo'n serieuze behandeling. Als je nu leest wat Korzec of Van Gogh over hem schrijven, krijg je bijna het idee van een onderkruipsel. En dat is hij niet geweest, vind ik. Hij was in de persoonlijke omgang een buitengewoonlijk aimabel mens, en een begeesterd filmer. Misschien is het voornaamste probleem met zijn nagedachtenis, dat veel mensen niet kunnen begrijpen dat iemand die aimabel en begeesterd filmer is, tegelijkertijd een communistische hardliner kan zijn”.

Tijdens het International Documentary Festival Amsterdam (6 t/m 14 dec.) zijn bijna 200 films en video's te zien op verschillende locaties rondom het Leidseplein in Amsterdam. Festivalcentrum is De Balie aan het Kleine Gartmanplantsoen. Het programma is gisteren gepubliceerd in de Agenda bijlage. Inl. en res. 020-6261939.