Mijn film begint bij het verdriet van mijn moeder; Niek Koppen over de slag in de Javazee

Voor zijn documentaire over de slag in de Javazee sprak Niek Koppen met honderden ooggetuigen. Vijftig van hen vroeg hij om hun verhaal te doen voor zijn camera. Ook de Japanners liet hij aan het woord. Ze verschillen volgens Koppen niet van hun tegenstanders, en zo wilde hij het ook. “Alleen zijn de Japanners niet gezonken, maar dat kan ik niet helpen.”

De slag in de Javazee van Niek Koppen. IDFA, 9 dec. Bellevue Cinerama (15u) en Alfa 2 (21u); 10 dec. Alfa 2 (21.30u); 12 dec. Alfa 2 (12.u).

Een klein jaar geleden bezocht filmmaker Niek Koppen een voorstelling van Theatergroep Hollandia. De Perzen van Aischylos zag hij, over de nasleep van een vernietigende zeeslag tussen de Perzen en de Grieken. In zinnen van bijna vijfentwintighonderd jaar oud hoorde hij een overlevende van de slag een indruk geven van verderf en doodsnood: '...je kon het zeewater niet meer zien, bezaaid met scheepswrakken en dode mensen...', en 'en zij, zij sloegen hen (-), verbrijzelden hun ruggen, gejammer en gegil vervulden het wijde wateroppervlak', en ook 'De omvang van de ramp, al praatte ik tien dagen aan één stuk door, zou ik u niet volledig kunnen beschrijven' (vert. Herman Altena).

Niek Koppen (1956) werd overmand door woeste emoties. Drie jaar was hij nu bezig met een film over de slag in de Javazee. Drie jaar leefde hij met de fatale datum 27 februari 1942, toen vrijwel de complete, geallieerde, veertien schepen grote, vloot tot zinken werd gebracht in een treffen met Japanse schepen. Drie jaar lang hadden overlevenden in vier werelddelen hem hun ervaringen verteld, soms voor zijn camera, dan weer privé, en altijd bleken ze zo openhartig omdat ze het op prijs stelden dat hij waarde hechtte aan hun verhalen. En daar, bij De Perzen, zag Koppen weer zo'n man in de ogen, ondanks eeuwen tijdsverschil - de Bode met zijn verhaal dat almaar erger en erger en erger wordt en dat Koppen tot zijn ontroering van woord tot woord herkende.

“De verhalen van al die mannen zijn samen een drama van klassieke allure,” benadrukt Koppen, zichtbaar opnieuw gelukkig met zijn inzicht. “Ze gingen naar zee terwijl het ze al daagde ze dat het mis zou gaan: denk aan de man die net voor hij aan boord gaat van het ene op het andere moment zijn motorfiets weggeeft. Ik heb vreselijk zitten snikken, want door die voorstelling van De Perzen durfde ik te geloven dat mijn film de moeite waard kon zijn. Ik heb met dit onderwerp meer tot stand willen brengen dan een titel in mijn filmografie. De slag in de Javazee gaat verder dan mijn ambities, die film moet iets wezenlijks raken. Hoe zouden wij met elkaar omspringen, samen in een bootje met maar één zwemvest, dat wil ik weten. Het valt te vrezen dat ik jou eruit kiepte. Zo erg is het leven en door De Perzen heb ik geleerd hoe universeel dat is.”

Koppens filmische zoektocht naar de slag in de Javazee begint bij zijn moeder, of liever, op het bureau van zijn moeder. Daar stond het portret van haar eerste man, een marine-officier met wie ze in Indië was getrouwd en die kort na hun trouwdag sneuvelde in de Javazee. “Een dooie man in een wit uniform, dat is een held. Dat idee prikkelde me als kind, ook omdat mijn eigen vader marine-officier was. Maar deze film begon niet bij mijn kinderfantasie, hij begint bij het verdriet van mijn moeder. Vaak dacht ik, dat je dat hebt moeten meemaken: een kamptijd in Indië en dan, als je vrij bent en alles overleefd hebt, moeten horen dat je man is omgekomen op zee. Mijn moeder overleed in 1991 en toen ik in 1992 mijn film Siki (over een raadselachtige Noordafrikaanse bokskampioen in Rotterdam in de jaren twintig) had voltooid, wist ik al dat mijn volgende film zou gaan over de aanloop tot haar verdriet.

“Een film die doordringt in je eigen geschiedenis, met fragmenten van amateurfilms uit de familie, zo iets maak je eenmaal in je leven. Mijn oom en tante zitten er ook in, gewoon een man en een vrouw. Mijn oom, alweer een marine-officier, werd opgeroepen, ging scheep in de vloot voor de Javazee. Huilen bij het afscheid was er niet bij. Een order is een order, dat wisten de echtgenotes net zo goed als hun mannen. Zo zijn ze allemaal gegaan. Zo gewoon. Om te belanden in die chaos van verderf en schuld.”

Zo'n 250 ooggetuigen van de slag in de Javazee ontmoette Koppen, Amerikanen, Australiërs, Nederlanders, Indische Nederlanders en Japanners. Overal zocht hij ze op, in Nederland, in de VS, in Sydney, in Tokyo. Aan vijftig van hen vroeg hij hun verhaal te doen voor zijn film. Waar ze precies wonen blijft in het ongewisse, het speelt geen rol. Het gaat om hun verhalen, met hun motoriek en gezichtsuitdrukkingen als 'found art'. “Hoe ze vertellen, met humor, afgrijzen of bravoure, altijd is het mooi,” vindt Koppen. Met hun verhalen bakent hij even pragmatisch als verholen poëtisch, fasen af, omvat hij de slag van begin tot eind. Alles doorlopen we, het inschepen, de bedrijvigheid aan boord, de Japanse aanval, het zinken van het Nederlandse schip de H.M. de Ruyter onder bevel van schout-bij-nacht Karel Doorman, de paniek in de slag, het verblijven op vlotjes en in reddingsboten. Maar ook het kijken naar en staan op het Amerikaanse schip dat, in onzekerheid over mijnen en de positie van de tegenstander, het niet aandurfde om de drenkelingen op te pikken, totdat Japanse mariniers hen aan boord van hun schepen hesen, sommigen doodziek, met lichamen die tot dertig uur in het water hadden gelegen. De Japanse mannen verschillen niet van hun tegenstanders, en zo wilde Koppen het ook. “Alleen zijn de Japanners niet gezonken, maar dat kan ik niet helpen.”

Medailles

De mannen die Koppen aan het woord laat, zijn des te roerender omdat ze zich al pratend zo verplaatsen in hun 'ik' van destijds, dat je menigmaal jonge jongens ziet doorschemeren in de verweerde kerels van minstens zeventig die aan het woord zijn. Telkens weer ondervond Koppen hoe graag ze hem vertelden wat ze meemaakten, in het geval van de Nederlanders omdat ze niet gewend waren dat ernaar werd gevraagd. “In Amerika en Australië gaat dat anders, daar kregen ze medailles en worden er nog altijd regelmatig reünies georganiseerd. Hier staan ze alleen, zijn ze zelfs nooit bedankt. Worden ze eens uitgenodigd bij een herdenking, dan zitten ze op de laatste rij. Straks, op mijn première, komen ze voor het eerst samen ter nagedachtenis aan hun 'eigen' slag. Het zal niet verstandig zijn, ik weet het, maar ik koester hoge verwachtingen.”

Wat de mannen zullen zien in De slag in de Javazee is, hoe tijd en emoties het verleden hebben ingekleurd. Niet dat Koppen die verschillen tegen elkaar uitspeelt: “Mijn uitgangspunt was aanvankelijk de onzekere persoonlijke herinnering, net als voor Siki. Maar behalve dat het geheugen me veel te veel in de mode is de laatste tijd, bleek de verhaallijn die opdoemde veel sterker dan het spel met de herinneringen. Iedereen heeft een uniek verhaal en elk verhaal is me evenveel waard. De een zegt dat het mooi weer was bij de slag, een ander herinnert zich slecht weer en hoe het werkelijk was maakt mij niet uit. Ik weiger conclusies te verbinden aan die verschillen: als iemand het weer typeert als slecht, dan wàs het slecht weer. Hoe er wordt verteld, daar gaat het om. Hoe iemand, ondanks wat hem later op zee overkwam nog tot in details een voetbalwedstrijd in de tropen kan en wil ophalen, dat is belangrijk.”

Na de tweeënhalf uur die De slag in de Javazee duurt, wil Koppen hebben aangetoond dat de mannen niet voor niets op de Javazee dreven. “Voor mij als buitenstaander zijn die schepen en die tweeduizend manschappen vergaan als gevolg van een volstrekt nutteloos eergevoel. Veel van de mannen hebben me uitgelegd dat dat niet zo was. Admiraal Helfrich liet een vergelijkbare boodschap na: niet voortijds weglopen, ook niet uit een uitzichtsloze situatie, is zijn devies, want weglopen zou door niemand begrepen zijn. In volledige overtuiging en gehoorzamend aan de sterke band die hem met Indië bond, gaf hij het bevel en zette koers.”