Jong in de jaren zeventig

Christine Otten: Blauw metaal. Uitg. Atlas, 175 blz. ƒ 29,90

Het gaat over muziek, moeten ze bij de uitgeverij hebben gedacht. Dus laten we iets muzikaals doen met het omslag. De naam van de schrijfster, Christine Otten, en de titel van het boek zijn op een ronde schijf afgedrukt als was zij de zangeres van het nieuwe album Blauw metaal. Die schijf lijkt op het eerste gezicht een cd, maar bij nadere beschouwing zou het ook het ongegroefde middenste van een langspeelplaat kunnen zijn. Want Blauw metaal, het romandebuut van Christine Otten, speelt zich af in de jaren zeventig, een nog cd-loos tijdperk.

In bedompte tienerslaapkamers worden veel plaatjes gedraaid, van Neil Young, Led Zeppelin, Lou Reed, en vooral van Fairport Convention, een Engelse folkrockgroep. Tijdens een zomervakantie, de zomervakantie van 1977 om precies te zijn, reizen drie jongeren, een meisje van 15 en twee jongens van 18, hun idolen na. Maar ze vinden niet wat ze zoeken. Niet in het ruige Schotse landschap, niet in Inverness, niet in Wales en ook niet in Liverpool. Ze weten ook niet goed waar ze naar op zoek zijn.

Blauw metaal geeft een goed beeld van de troosteloze sfeer van de jaren zeventig, waarin gemeenschappelijke idealen niet meer leven en jongeren weer vooral aangewezen zijn op zichzelf. Alleen kleine enclaves zijn nog mogelijk. Eerst klampt de 15-jarige Hannah zich angstvallig vast aan het driemanschap waartoe zij behoort: 'Johnny en ik en Menno'. Na wat onduidelijke conflicten en veel ongemakkelijk gezwijg blijven alleen zij en haar broer Johnny over. Maar ook broer en zus kunnen elkaars eenzaamheid niet opheffen, omdat ze nu eenmaal verschillende personen zijn. 'We hielden van dezelfde muziek (-) maar nooit zouden we van elkaar weten wat we precies hoorden', verzucht het meisje. Voor Johnny is het bijna onverdraaglijk dat Hannah niet net zo goed wil leren gitaarspelen als hij. Ook houdt hij haar meer dan eens zijn lievelingsboek voor, The catcher in the rye, van Salinger, waarin een welhaast volmaakte verstandhouding wordt beschreven tussen een broer en zijn kleine zusje. Zoiets wil hij ook en nog wel meer.

Christine Otten geeft met betrekkelijk eenvoudige middelen - sobere stijl, heldere structuur en steeds terugkerende muzikale motieven - een mooi en aandoenlijk portret van een opgroeiend meisje. Zij is argeloos en nog totaal kneedbaar. Wat er omgaat in haar broer weet ze niet, maar ze is tot alles bereid om ervaringen met hem te kunnen delen. Of het nu gaat om een poster van een popgroep, een lsd-trip, of om haar eigen ontmaagding. Dat alles wordt onderkoeld beschreven, op een kale manier die veel emotie verraadt. Het is met dit boek als met de muziek die het meisje graag hoort. Of ze nu luistert naar Nico, 'die ijzige sonore stem die toch niet koud was', of naar de elektrische gitaar van haar broer, waar ze iets blauws in meent te horen. “Een blauw metalig geluid, maar dat metalige was niet kil.”

    • Janet Luis