Ik druk je beide handen en geef een klap op je schouder; Biografie in brieven van Geert van Oorschot

Uitgever en schrijver Geert van Oorschot heeft ongeveer 15.000 brieven geschreven. Ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van uitgeverij Van Oorschot zijn er nu 62 gebundeld, samen met commentaar van Van Oorschots correspondenten, onder wie A. Alberts, M. Vasalis en Rutger Kopland. “Hoe is het met de versjes? Wat zou ik toch kunnen doen om die eigenaardige 'blokkade' op te heffen?”

Geert van Oorschot: Brieven van een uitgever. Met commentaar van de ontvangers. Uitg. G.A. van Oorschot, 220 blz. Prijs ƒ 34,90 De Vlissingse verhalen van R.J. Peskens (Twee vorstinnen en een vorst, Mijn tante Coleta, Verspreide verhalen en Ongebundeld werk). Uitg. G.A. van Oorschot, 480 blz. Prijs ƒ 25,- (geb.) Tentoonstelling: 782 boeken in eerste druk - de eerste vijftig jaar van Uitgeverij G.A. van Oorschot. Prentenkabinet Stedelijk Museum, Amsterdam. T/m 7 jan. 1996.

Brief van Geert van Oorschot aan Rob Nieuwenhuys en zijn vrouw, [Baambrugge] 30 december '82

Lieve Rob en Fried

Ik ben geen nieuwjaarskaartrondzender, maar dat neemt niet weg dat ik in deze laatste eigenaardige droeve dagen van het jaar niet een paar mensen alle denkbare goeds en liefs en veiligs zou willen toewensen. (O zeker, niet meer dan een paar. De meeste vrienden gaan verloren door verraad of dood.) Enfin.

Ik stuur jullie hierbij een ex. van Druilende Burgerij van onze oude en diep betreurde vriend Van Nijlen. Die breukloos volgehouden toon, die nooit overslaande stem, dat mooie en sierlijke ritme: ja, het is mij een dierbaar kleinood, dit boekje. Ik zal er wel 123 exemplaren van verkopen in de komende 123 jaar. Maar gelukkig wordt er zo af en toe een boekje geschreven, niet om verkocht te worden, maar om als klein kadootje te sturen aan een paar steeds zeldzamer wordenden goede verstaanders. Wat zijn we eigenlijk dom. Die paar vrienden die 'overblijven' zien en spreken elkaar nooit of bijna nooit. En het leven is zò kort. De sneeuwklokjes staan bijna in het wit en de narcissen komen driftig met hun gespitste stengels boven de grond. Misschien dat we elkaar het komende voorjaar toch nog eens een keer ontmoeten. 'Het leven is moeilijk', zei Jan v. N. vaak. Ik hoop dat jullie het een beetje goed maken. Een beetje is soms al heel erg veel. Maar dat weten jullie natuurlijk oòk al heel lang.

Ik omhels jullie 2

Geert

Nu, 19 januari verzend ik dit briefje pas. Soms durf ik zelfs geen brief meer te versturen.

'Ik vervloek vaak de dag, dat ik met mijn uitgeverij begonnen ben: ik had een ander vak moeten kiezen, timmerman of metselaar bijvoorbeeld; mijn grote vergissing is geweest, dat ik als dichter of schrijver heb gemeend een uitgeverij te moeten en te kunnen maken', schreef Geert van Oorschot op 23 juli 1980 aan Herman Verhaar. De brief is te vinden in Geert van Oorschot. Brieven van een uitgever. Dit brievenboek is een prachtige druppel op een gloeiende plaat. Een zorgvuldig geregisseerde noodoplossing voor een praktisch probleem. Want wat moet een uitgeverij doen met de 'bij benadering' vijftienduizend brieven die haar oprichter stuurde aan schrijvers, vormgevers, drukkers, geldschieters en talloze andere adressanten? In de epistolaire nalatenschap van G.A. van Oorschot (1909-1987) ligt de biografie besloten van de uitgever en de zaak die hij vijftig jaar geleden begon. Dat wordt al vast duidelijk uit de jubileumuitgave van 'slechts' 62 brieven aan 31 adressanten, van wie de meesten tot de stal van het uitgevershuis behoren.

Van A. Alberts tot Rogi Wieg schreven alle 31 op verzoek van Van Oorschots opvolgers, zoon Wouter en zijn compagnon Gemma Nefkens, elk een begeleidend portret van de in lichaam en ziel forse uitgever-schrijver. De man met de onafscheidelijk lavallière, voor wie de literatuur eten, drinken en liefde was, die van geen nee wilde horen als het ging om de onbetaalbare publikatie van Multatuli's Volledig Werk of dat van Menno ter Braak. Bij wie Gerard Reve en W.F. Hermans onderdak vonden en na ruzies weggingen en die dichteressen Elisabeth Eybers en M. Vasalis met de egards van een koning koesterde. Een man die, een dikke sigaar en zonder blad voor de mond, als de vleesgeworden Boorman uit Elsschots Lijmen boekhandelaars door het hele land dwong meer af te nemen dan ze van plan waren en schrijvers, dichters, vertalers en bezorgers wekenlang tot diep in de nacht belaagde en tot op geheime adressen achtervolgde als zij hun op een onbewaakt ogenblik beloofde 'copie' nog niet hadden ingeleverd. Als een bruuske schatbewaarder bouwde de door vriend gevreesde en door vijand geliefde 'Dreverhaven' een letterkundige voorraad op, die letterlijk uit alle hoeken en gaten van zijn uitgevershuis puilde: Belle van Zuylen en Pierre Kemp, de Russische Bibliotheek en Jan Emmens en niet te vergeten het literaire tijdschrift, dat geheel in de stijl van de uitgever de naam Tirade draagt.

Prachtband

Gekneed in het vak als inpakker en later als vertegenwoordiger bij de vooroorlogse uitgeverij van Emmanuel Querido en gedurende de bezetting als bedrijfsleider van de ondergedoken Querido, begon Van Oorschot na de bevrijding de eenmansfirma op de Amsterdamse Herengracht. Hoewel Van Oorschot al van jongs af schrijver en dichter wilde worden, heeft hij onder de naam R.J. Peskens met de verhalen en romans over zijn Vlissingse jeugd in een fervent SDAP-gezin pas op veel latere leeftijd erkenning gekregen. Zijn verzameld werk is nu ter gelegenheid van het jubileum in een goedkope prachtband herdrukt. Vooral de romans Twee vorstinnen en een vorst en Mijn tante Coleta kunnen worden beschouwd als een geromantiseerde autobiografie.

Het ligt voor de hand om Geert van Oorschot, die zelf meewerkte aan de vorming van de Oorschot-mythe, te zien als een romanfiguur. De brieven die nu zijn gepubliceerd versterken dat beeld, maar tegelijkertijd bieden ze op een boeiende en vaak vermakelijke wijze zicht op talloze facetten van zijn persoonlijkheid.

De vorm die Van Oorschots opvolgers kozen voor de voorbode van een meerdelige dundrukeditie van de brieven is heel aantrekkelijk. De 62 brieven, in lengte èn diepte variërend van kattebel tot novelle, geven een levendige indruk van de weerbarstige, gewiekste, sentimentele man en uitgever die hij was en de vaak heel persoonlijk getinte annotaties van zijn correspondenten fungeren als begeleidend, historisch perspectief. De combinatie van brieven plus commentaar levert allerlei literaire wetenswaardigheden op.

'Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat hij de door hem verlangde kopij graag wilde hebben. Maar, behalve graag, minstens zo graag vlug', aldus A. Alberts die sfeervol noteert wat de gevolgen waren van de toezegging voor een nieuw boek, die hij zijn uitgever deed na het verschijnen van zijn roman De Eilanden. Op 29 maart 1956, drieëneenhalf jaar na die toezegging, schrijft Van Oorschot: 'Beste Bert, Wat ben je toch eigenlijk een vreemde man. Hoe lang is dat gedonder met De Vergaderzaal nu al aan de gang? Ik bedoel niet dat je het boek niet af kon maken. Zulke dingen liggen altijd in gods hand. (Hoewel ik van mening ben, dat met wat meer inspanning ook het schrijven wel spoediger had kunnen plaats vinden). Ik bedoel wel, dat je mij nu bijna twee jaar achter elkaar voorliegt, dat het boek klaar is, dat je het ms. zal inzenden etc. etc, Eindeloos!'

De brief van 26 april 1973 begint als volgt: 'Wat ben ik gelukkig met je brief van eergisteren. Je begrijpt wel hoe zeer ik nu onder hoogspanning sta. Mijn geliefde Vergaderzaal is klaar!' en eindigt volkomen Van Oorschots met: 'Ik druk je beide handen waarna ik een klap op je schouder geef.'

Van A. Alberts tot Rogi Wieg hadden ze alle 31 natuurlijk het voordeel van de bespiegeling, maar vrijwel iedereen werd door de selectie van twee exemplaren uit het eigen archief toch gedwongen opnieuw te reageren op de destijds ontvangen post. Rutger Kopland 'ervoer vooral zijn latere brieven als geschenken. Wie schreef daar en waarom? Uiteindelijk een vriend, omdat hij dat was.' Karel van het Reve, die hilarische verwikkelingen rondom de Russische Bibliotheek ophaalt, is 'niet meer bang voor Geert, vooral nu hij dood is.'

Brandje

Van Oorschot heeft in dit boek nog steeds het laatste woord en het zou hem ongetwijfeld plezier hebben gedaan dat de meeste commentatoren met veel gevoel voor stijl hun correspondent en daarmee hun relatie tot hem hebben getypeerd, van ergerlijk tot liefdevol, van schrikbarend tot vermakelijk. Zoals met betrekking tot een deels verbrande brief die hij Henk Romijn Meijer zond bij de jaarlijkse, bedroevende afrekening: 'Ik stuur je het blaadje, dat ik af had, en dat bijna 'omkwam' in een brandje op mijn buro, hier maar bij in.'

Niet alleen zijn schrijvers, vertalers, bezorgers, vormgevers komen aan de orde, maar ook de boeken en hun auteurs uit zijn verleden als vertegenwoordiger. Brieven van een uitgever werkt daardoor ook als de bron van een literair huis, met wiens directeur niet te spotten viel. Tenzij het niet anders kon, getuige bij voorbeeld de openingszin van J.J. Voskuil: 'Mijn vriendschap met Geert van Oorschot duurde van 15 oktober 1962 tot 7 juni 1968.' Een lange brief aan Voskuil dateert uit 1965, de tijd van diens grote epos over de vriendschap Bij nader inzien, waar Van Oorschot, die het manuscript had gekregen van Henk Romijn Meijer, kapot van was: 'Van Bij nader inzien zijn dit jaar, geloof ik 2 ex. verkocht. Het zijn er in elk geval 2. Het land van herkomst kon nauwelijks een uitgever vinden, het verscheen in 1935 in een oplage van 500 ex. Daarvan heb ik als kolporteur nog de meeste ex. verkocht. Nu, na 30 jaar, is het een regelmatig gekocht en gelezen boek.'

De breuk werd veroorzaakt doordat Van Oorschot Voskuils tweede manuscript na lang aandringen wist los te peuteren en het vervolgens letterlijk 'op acht stroken w.c.-papier van bijna een meter lengte' met de grond gelijk maakte. Die brief heeft Voskuil níet opgenomen, omdat hij 'zonder het boek onbegrijpelijk is'. Maar in een brief uit 1985 staat: 'Ik heb de afgelopen maanden uiteraard veel moeten denken aan en nadenken over onze breuk van zoveel jaren geleden. Ik heb dat niet goed gedaan. Ik denk, dat er geen ruimte meer was, om nog meer te consumeren, te verwerken, na de verplettering van die eerste 1200 pag. Ik herinner mij tenminste nog hoe het boek me had overweldigd. Maar de manier waarop toen alles is gebeurd, miste stijl en daarvoor na zoveel jaren nog excuus. Ik hoop dat jullie dat zullen accepteren.'

Pikant - en niet gespeend van een klein beetje wraak - is het om bij Voskuil te lezen hoe hij Van Oorschot betrapte op een ingrijpende verandering in het manuscript van Mijn tante Coleta, waardoor hij zichzelf heroïscher voordeed dan hij was: 'Hij werd daar verlegen onder. (Als hij verlegen was, leek het of hij ineen schrompelde.)'

Ontspruitende tuin

Meer dan het proefschrift van Gert Jan de Vries Ik heb geen verstand van poëzie. G.A. van Oorschot als uitgever van poëzie, dat begin dit jaar verscheen, biedt Brieven van een uitgever een beeld van een man die zich het ene moment jubelend laaft aan de schoonheid van zijn ontspruitende tuin in Baambrugge en een andere moment verdrinkt in zwaarmoedigheid om het leven dat hem ontglipt.

Kostelijk zijn de herinneringen aan Jan Hanlo met zijn 'puntjes', die tot op de persen van de drukker nog door de dichter werden aangepast: 'Hanlo op zijn H.Davidson met 150 k/u van Valkenburg naar Van Amerongen de drukker in Amersfoort'. Pathetisch is Van Oorschots onbeantwoorde adoratie voor Linda van Dijck die de rol van zijn tante Coleta speelde in de film naar zijn roman Twee vorstinnen en een vorst: 'Lieve lieve Linda, (-) En weet je dat de zwarte bessen niet zijn geplukt dit jaar, omdat ik alle vrouwen verboden heb om ze te plukken, omdat het jouw zwarte bessen waren?'

Herman de Coninck, die een heel lange brief over deze 'oudemannenliefde' ontving, schrijft over Van Oorschot: 'Misschien leed hij wel onder zijn eigen pathos, maar hij beschikte nu eenmaal niet over een andere stijl. Genuanceerdheid of bedachtzaamheid had hij niet in voorraad. Hij was de laatste acteur uit de Ko van Dijk-school van het schmieren en het grote gebaar, en de enige die nog in zijn rol geloofde, dacht ik destijds. En ik vond zijn vertolkingen van zichzelf prachtig. Nu denk ik: misschien geloofde ook hij er niet meer in, maar hij had niks in de plaats.'

Van Oorschot gedroeg zich lijfelijk en in zijn brieven (en telefoontjes) per adressant anders, of beter gezegd: hij wàs dan anders. Hanny Michaelis, die een mooi compleet portret schetst, had zich 'geen betere uitgever kunnen wensen (-) Met de vorm en inhoud van mijn gedichten heeft hij zich nooit bemoeid. Eén keer probeerde hij mij ervan te overtuigen dat twee regels te weinig waren om voor een gedicht te kunnen doorgaan. Na enig tegenstribbelen besefte ik dat hij gelijk had, waarna ik ze heb geschrapt.'

De brieven aan haar zijn warm, trouwhartig en opbeurend: 'Hoe is het met de versjes? Wat zou ik toch kunnen doen om die eigenaardige 'blokkade' op te heffen?'

In brieven uit de jaren zestig debiteert Van Oorschot robuuste opvattingen over de literatuur: 'De Vinkenogen, de Camperts, de Clausen, de Vanvugten, kortom de bezige ordinaire bijen, die veel minder kunnen dan jij, die veel minder te zeggen hebben, vieren als terroristen hoogtij in onze letteren', schrijft hij Adriaan Morriën, die zoals velen zijn monomane bemoeienis met Tirade onderging. Woorden als 'verraad' werden niet geschuwd wanneer zijn geesteskind niet naar behoren werd geredigeerd. Noch was hij klein in zijn daden. De theologe en classica Carola Kloos ontving op één dag acht brieven: 'Soms, als hij een brief goed gelukt vond, belde hij eerst op om hem voor te lezen - waarna ik hem per post ontving.' Aan haar schrijft Van Oorschot dat hij het verhaal over zijn geboorte eindelijk bevestigd heeft gekregen van de dochter van de Vlissingse dokter: 'Ik ben uit een laveloze moeder verlost. 'Het was in intieme kring een van zijn succesverhalen', aldus de dochter. Treuriger ben ik nooit geworden.'

Detectivespel

Omdat de brieven gerangschikt zijn op alfabetische volgorde van adressanten schiet het boek heen en weer in de tijd. Gaandeweg wordt het een detectivespel om de oorspronkelijke chronologie in het oog te gaan houden of brieven over hetzelfde onderwerp, zijn tuin, de poes Sofie, zijn leidsman Jacques de Kadt, te vergelijken. Het onderhouden van al die correspondenties moet een verslaving zijn geweest, alsof Van Oorschot zijn bestaan dag in dag uit en in meervoud aan de buitenwereld bevestigde.

'Verscheur mijn brieven na ontvangst', schrijft hij op 15 december 1971 aan Jeroen Brouwers, 'Welke sterveling heeft er mee te maken wat wij elkaar schrijven. Ik moet alle brieven en mijn dagboek gaan verbranden. Waarom doe ik het steeds niet. Ik ben godverdomme helemaal in de war. Ik ga weer naar de post'. Het is drie dagen na de zelfmoord van de dichter Jan Emmens. Het destructieve voornemen heeft Van Oorschot in elk geval niet uitgevoerd wat betreft de brieven. Maar het manuscript dat Brouwers ooit las over de zelfmoord van Van Oorschots oudste zoon is niet in de nalatenschap teruggevonden. Niet verwonderlijk, want zoals Van Oorschots geliefde dichteres M. Vasalis verderop schrijft: '(-) hij heeft de grote moed gehad om voor zijn dood alles te vernietigen, dat hij beneden de maat vond, jeugd-producten, aanzetten van romans, gedichten, kladjes met 'gedachten', wijze of wrange paradoxen, die verzameling van bokke-keutels die menig schrijver achterlaat, in de hoop, dat er nog iets houdbaars tussen zit.'

Aan Vasalis schrijft Van Oorschot over zijn geurende rozen: ' 's Morgens vroeg en 's avonds laat lijkt het of er vrouwen met wijde rokken en blouses onzichtbaar langs mijn terras schrijden, en een golf van nooit geroken parfum met zich mee dragen. Ik heb 4 riddersporen, netjes met een ouderwets biesje bijeengehouden, van een blauw dat ik nooit eerder gezien heb en niet zou kunnen beschrijven.'

Zijn laatste levensjaren kreeg Van Oorschot, die nooit ziek was geweest, allerlei zware kwalen en moest hij telkens in het ziekenhuis worden opgenomen. De eenzaamheid na de dood van zijn geliefde vrouw Hillie versterkte bovendien zijn zwaarmoedigheid. Het klinkt door in de brieven die hij, al kostte het hem grote inspanning, bleef schrijven. Op 11 december 1987, kort voor zijn dood doet hij aan Tirade-redacteur Thomas Lieske verslag over zijn toestand en vertelt van de tuinman die zijn rozen heeft gesnoeid en de groentebedden 'voor het voorjaar in gereedheid' heeft gebracht. Hij weet dan al dan hij stervende is en schrijft: 'De boerenkool staat er pront en prachtig bij, en in de magnolia loeren al weer de eerste knoppen. Het leven gaat dus gewoon verder en zo hoort het ook. Dag Thomas. Geert'