Derivaten zijn niet eng, maar bankiers houden ze toch liever voor zich

AMSTERDAM, 1 DEC. Hoe vaak moeten bankiers het nog herhalen: financiële derivaten zijn niet eng. Maar de reputatie van de verzameling van opties, termijncontracten, ruilcontracten (swaps) en allerhande tussenvormen voor de beheersing van koersschommelingen van effecten en andere financiële waarden is er de laatste jaren niet beter op geworden. Sinds een groot aantal schandalen en verliezen, en zeker sinds Nick Leeson begin dit jaar zijn Barings-bank naar de ondergang joeg met termijncontracten op de Japanse aandelenmarkt, is de publieke onrust over financiële derivaten fors toegenomen.

Wat daarbij niet helpt is de onzekerheid over de omvang van de explosief groeiende derivatenmarkt. De onderliggende waarde van aandelen, obligaties, valuta's en grondstoffen waarover op beurzen (zoals de Optiebeurs in Amsterdam) verhandelbare derivaten zijn afgesloten, bedraagt wereldwijd 8,4 biljoen dollar (twaalf nullen). Het minder goed meetbare bedrag aan derivaten dat tussen banken en beleggers onderling (over-the-counter) is afgeloten wordt geraamd op minstens evenveel. Het resulterende totaalbedrag van rond 17 biljoen dollar is vergelijkbaar met zo'n driemaal het totale Amerikaanse bruto binnenlands produkt. Maar een telling die de Bank voor Internationale Betalingen (de BIB, club van centrale banken) vorige maand hield van alle derivatenposities van banken en effectenhuizen in de tien grootste industrielanden komt op een slordige 60 biljoen dollar. Daar zitten waarschijnlijk voor een deel door banken onderling afgesloten contracten in, die dubbel worden geteld, maar dan nog is het verschil met de heersende schatting van 17 biljoen dollar enorm. Nog deze maand komt de BIB met de resultaten van een onderzoek in 26 landen dat de omvang van de totale markt daadwerkelijk moet vaststellen. Handel op de financiële markten is een steeds belangrijker inkomstenbron voor banken, en handel in derivaten is daarvan vaak de meest winstgevende. Maar het risicoprofiel van banken loopt wel op. De risico's zijn onder te verdelen in kredietrisico's (komt de tegenpartij zijn verplichtingen na?), markt- en liquiditeitsrisico's (wat gebeurt er met bijvoorbeeld de optieportefeuille bij een plotselinge scherpe koersschommeling op de financiële markten) en beheersingsrisico's (weet het management wel wat de handelaren uitvoeren?). Zowel de BIB als de Europese Unie zijn al met de banken in de slag geweest over nieuwe eisen op deze punten. Speciale kapitaalbuffers, risicobeheersingssystemen en betere managementprocedures en informatiebeheer worden bij banken ingevoerd. Maar publieke informatie is bij veel banken nog uiterst karig en de Nederlandse sector loopt daarbij ver achter op het buitenland.

Pagina 17: Opvolgen wensen van BIB zal handel banken blootleggen

In 1994 begon ABN Amro met de vermelding van de onderliggende waarde van alle derivatenposities bij de bank. Pas een jaar later volgden ING en Rabo, en werd aan de onderliggende waarde ook het bijbehorende totale krediet-equivalent, dat aangeeft wat het kredietrisico is, toegevoegd. De BIB, en dus ook de Nederlandsche Bank, willen veel verder gaan, zo benadrukte bankdirecteur T. de Swaan, die het toezicht op de banken in portefeuille heeft gisteren in een toespraak. Het risicobewustzijn van bankiers wordt groter als zij publiekelijk rekenschap moeten afleggen, en daar is het bankentoezicht weer mee geholpen. Een betere publieke verslaglegging leidt volgens De Swaan tot een grotere openheid bij de gehele branche: banken en effectenhuizen die een grotere openheid ten toon spreiden komen als vanzelf vooruitstrevender en zelfbewuster over, geven daarmee de markt meer vertrouwen en kunnen zo een concurrentievoordeel behalen. Als een 'peer group' vooroploopt, dan volgt de rest noodzakelijkerwijs vanzelf.

Nu valt dat nogal mee: Amerikaanse banken zijn sinds jaar en dag verplicht tot een (veel) uitgebreider jaarverslaggeving en rafelen hun balansen publiekelijk uiteen met een gedetailleerdheid waar Nederlandse bankiers van zouden gruwen. Het Amerikaanse voorbeeld heeft intussen nauwelijks geleid tot grotere openheid bij Europese banken, uitgezonderd de Britse.

Niet bekend

De geslotenheid is opmerkelijk, omdat Nederlandse banken geen kleine spelers zijn op de derivatenmarkt zelf. Zij kunnen zich wat omvang van hun posities betreft meten met het gros van de Duitse en Canadese spelers en lopen voor op Zweedse, ver voor op Belgische en zeer ver voor op Italiaanse banken.

Maar er komt verandering. De Nederlandsche Bank is op dit moment in de slag met het bankwezen om via een aanbeveling meer deails in de jaarverslagen te krijgen. Richtlijn daarbij zijn de wensen van het BIB-comité van de centrale banken in de tien grootste industrielanden. Een opvolging van al die wensen zou voor een revolutie zorgen: lezers van het jaarverslag van, bijvoorbeeld, de Rabo zouden kunnen lezen welke posities de Rabo heeft in welke instrumenten. Welke daarvan bedoeld zijn voor handel voor eigen rekening, en welke voor het beheer van de eigen balans. Hoeveel winst er mee wordt gemaakt en welke risico's er worden gelopen, uitgesplitst naar type instrument en markt. Ongerealiseerde verliezen op derivaten moeten worden gerapporteerd, en reserveringen voor waarderingsveranderingen en kredietverliezen. Het is onvermijdelijk, zo blijkt uit de BIB-rapportage, dat daarmee eindelijk de totale handel voor eigen rekening, een van de grootste geheimen van de banken, moet worden blootgelegd. De Nederlandsche Bank verwacht vooralsnog dat de banken zover niet zullen gaan, maar wel geleidelijk meer informatie zullen geven. Komend voorjaar, wanneer de banken hun jaarverslag over 1995 presenteren, zal leren hoe lang in Nederland de weg is naar de derivaten-perestroika.