De mensen die hier leefden; Verbluffende gedichten van Neeltje Maria Min

Neeltje Maria Min: Kindsbeen. Uitg. De Bezige Bij, 49 blz. Prijs ƒ 29,50 (geb.).

Kind van mijn zoon. Haar schuimen kraag blaast

taal. Zij is in haar verhaal de hoofdpersoon.Verbeeldt dit vlokkenpopje bruid of lammetje?Het bad is afgekoeld, ze moet eruit.

Ik, moeder op het droge, diep haar op.

Tien kilo schoon voert strijd. Dat

mama nu moet komen, jammert ze.Verzet maakt moe. Ik dek haar

met de handdoek toe. Als ik

haar aan de spiegel geef houdt

zij de beide hoofdjes scheef.

UIT: NEELTJE MARIA MIN, KINDSBEEN

In 1966 verscheen Voor wie ik liefheb wil ik heten. De dichteres van deze debuutbundel was Neeltje Maria Min - nog maar een schoolmeisje, maar volgens sommige critici een weergaloos poëzietalent. De verkoopcijfers logen er ook niet om; tot nu toe zijn ruim 75.000 exemplaren van de bundel verkocht. Toch waren de kritieken in 1966 niet onverdeeld. In een interview met Corine Spoor in De Tijd zou Neel Min in 1981 het oordeel van de negatiefste besprekingen bijvallen. 'Je moet dat zien als een oprisping,' zei ze toen over haar debuut. 'Oprispingen van iemand tussen de veertien en de twintig (-). Het was misschien beter dan de gemiddelde scholier schrijft, dat weet je niet, maar als je in al die nachtkastjes kon kijken...'

Tussen 1966 en nu publiceerde ze nog vier poëzieuitgaven, plus een verzamelbundel. Wie echter weten wil welke titels dat zijn, zoekt tevergeefs in de literaire handboeken en encyclopedieën. Land en lucht (1973), Een vrouw bezoeken (1985), De ballade van Kastor Elim Wolzak (1985) en Losse vracht (1987) maakten blijkbaar zo weinig indruk dat Neel Min slechts in verband met haar debuut beschreven werd. Als curiosum dus.

Dit lijkt vooral het gevolg van haar eigen jarenlange onwil (of onvermogen?) om het dichten ernstig te nemen. De twee laatstgenoemde bundels bevatten weinig meer dan lichtvoetige bijschriften bij tekeningen van respectievelijk Petra Dolleman en Thomas Koolhaas. En ook in de andere uitgaven overheerst een luchtige, soms stoeierige toon, al staan er in Een vrouw bezoeken ook goede verzen. Maar wat je als lezer van die bundel bijblijft zijn toch vooral de Jan Kal-achtige sonnetten, waarin het eindrijm hinderlijk aanwezig is.

Maar nu is er Kindsbeen, Mins nieuwe bundel die onlangs bij De Bezige Bij verscheen. Kindsbeen - ik zeg het maar direct - biedt meesterlijke poëzie. In veertig gedichten verbeeldt Min vreugde, spanning en desillusie in het leven van kind, ouders en grootouders. Ze doet dat in doorgaans strak metrische verzen, maar schroomt niet om de lezer waar dat nodig lijkt op hetverkeerde been te zetten. De taal is eenvoudig, maar altijd dwingend vanformulering. Alles staat er zoals het klaarblijkelijk moest worden gezegd.

Die onherroepelijke directheid wordt bij herhaling benadrukt door weglating van het lidwoord. Dat is een gevaarlijke dichterstruc, die leiden kan tot een zo sterke abstractie dat de blik van de lezer zijn richting verliest. Maar Neel Min weet wat ze doet. Vooral in slotregels is ze feilloos in deze kaalslag: 'IJs sloot water tot het voorjaar af'; 'Kwam groei nu maar'; 'Vertrapte slak. God wacht zijn trage ziel'. Dat zijn regels die in hun absoluutheid beklijven.

Daarbij komt dat Neeltje Maria Min het rijm mettertijd subtieler is gaan hanteren. Het botte eindrijm van de sonnetten in Een vrouw bezoeken heeft plaatsgemaakt voor slinkse half- en binnenrijmen - zoals in het hierbij afgedrukte 'Kind van mijn zoon'. Ook de humoristische elementen zijn in Kindsbeen listig, vaak ingehouden gedoseerd. Een mooi voorbeeld hiervan is het vers dat vertelt hoe een jonge dichter-in-spe de fantasie beheersen moet:

Maak rustig gewag van een mug

op de rug van gebogen rabarber

zeg liever ik zag een karbouw

of een vliegende tamme kastanje

maak melding desnoods van de ziel

van een uitgestorven reptiel

of de helft van een dubbele vrouw

maar zeg nooit ofte nimmer dat

er een aap op het kippenhok zat

Want dan houden ze niet meer van je.

De bezwerende toon van deze quasi-formule klinkt als een echo uit Hendrik de Vries' Tovertuin. Diezelfde vergelijking dringt zich ook elders in de bundel op - het sterkst in het spookhuisvers op pagina 33: 'Van de mensen die hier leefden/ kleeft alleen behang nog aan de/ lange metershoge wanden./ Maar de geest van stok en zweep/ gaat nog als een beest tekeer./ Wie is hier niet bang geweest./ Heeft hier niet in ieder bed/ iedere nacht een kind gebeefd...'

Met een verbluffend inlevingsvermogen brengt Neeltje Maria Min haar herinneringen aan de kindertijd in beeld. De platste details van het alledaagse leven krijgen vorm in zulke plastische formuleringen als Tussen te ruim en te nauw/ paste kleding nooit lang. Haar verzen over volwassenen zijn even levendig, maar dan vooral in hun typeringen van de desillusie: 'Een man en een vrouw in een roerloze kamer,/ aangespoeld elk aan zijn eind van de tafel.../ Waarover zij zwijgen spreekt uit het ontbreken/ van struikelgoed: autootjes, boeken en stuiters...'

In Kindsbeen zijn de kleinste vreugde en de diepste troosteloosheid in taal gestold. De twee laatste, langere verzen lijken minder onherroepelijk dan de overige, maar elk gedicht bevat regels die na lezing in je hoofd blijven en tot citeren noden. Dat is wat poëzie klassiek kan maken, en wat mij betreft geldt die klassering al voor het volgende vers:

Zij staat over de kom gebogen

beslag tot aan haar ellebogen.

De onheilstijding die hij brengt

wordt opgevangen door haar rug.

Als zij zich los wil maken trekt

het brood in wording haar weer terug.

Wie zo, in zes eenvoudig verwoorde regels, 'la condition humaine' in beeld kan brengen, is dichter met hart en ziel.