De lezer

Reinjan Mulder (CS 17-11) schreef op basis van de uitslag van een CPNB lezersenquête een essay over de klacht van veel critici dat de AKO Literatuur Prijs meer te maken heeft met schrijvers dan met boeken. De schrijvers schrijven zichzelf tot sterren en het publiek denkt: net echt, net als bij de film.

“ 'Net echt'. Dat mag”, antwoordt Mulder. Zijn centrale stelling luidt dat herkenbaarheid van de in een boek beschreven wereld voor een lezer geen verkeerde reden is om dat boek te waarderen. Op dat punt deel ik zijn mening.

Maar autobiografie noch gelijkenis met de lezer hebben iets te maken met de vraag of literatuur al dan niet mag verwijzen naar een herkenbare realiteit. Een schrijver kan over zichzelf schrijven als avonturier op een onbewoond eiland (Defoe's Robinson Crusoe). De lezer kan zichzelf herkennen in een kakkerlak (Gregor Samsa in De Metamorfose van Kafka).

De CPNB-enquête vertelt ons helemaal niets, want zij is van twijfelachtige kwaliteit. Het formulier vermeldde dat de vraag werd gesteld in het kader van de verkiezing van de Publieksprijs 1995. Om elitaire eigenwijsheid werd niet gevraagd. De goede verstaander begreep dat hij een keuze moest maken uit de bestsellers. Toevallig waren dat de genomineerden voor de AKO-prijs.

Mulders caveat terzake van het selectief gezelschap respondenten vormt geen rechtvaardiging voor het niettemin hanteren van de uitslag als grondslag voor zijn pleidooi, zeker niet waar deze uitslag het voorspelbare antwoord vormde waarnaar de CPNB vroeg.

Mulder baseert zijn verdediging van de herkenbaarheid in de literatuur op een nietszeggende enquête die onderdeel uitmaakt van het mediacircus rond de literatuur. Hij speelt daarmee de critici die hij van repliek beoogde te dienen in de kaart en draagt bij aan de toekomstige, zo niet reeds bestaande, voorspelbaarheid van veel Nederlandse literatuur.