Clinton blijkt een vechter van formaat

“We zullen vuur met vuur bestrijden”, verklaarde president Clinton in de toespraak waarmee hij deze week het Amerikaanse volk trachtte te overtuigen van de juistheid van zijn beslissing een strijdmacht van twintigduizend man naar Bosnië te sturen.

Het verzet daartegen komt voort uit twee overwegingen. Enerzijds menen de Amerikanen dat het nu eens tijd wordt dat Europa zijn eigen zaken regelt, aan de andere kant is er een zeker cynisme ontstaan omtrent het vermogen van leidende politici en hoge militairen om een militaire operatie tot een goed einde te brengen. Het succes van Desert Storm wordt ervaren als een uitzondering op de regel: de trauma's die de Amerikanen hebben opgedaan in Vietnam, Libanon en Somalië. Clintons waarschuwing dat “eenieder - eenieder - die het tegen onze troepen wil opnemen, onder de gevolgen zal lijden”, was bedoeld als een kernachtige geruststelling dat in Bosnië halfslachtigheid voortaan zal worden vermeden.

De roemloze ondergang van het Nederlandse VN-contingent in Srebrenica en de misdaden tegen de menselijkheid waarmee deze is gepaard gegaan, heeft in Amerika voor een omslag gezorgd. Clinton, gekozen op het kortste programma uit de Amerikaanse verkiezingsgeschiedenis - “the economy, stupid” - is deze zomer tot de slotsom gekomen dat het debâcle in Bosnië het Amerikaanse aanzien in binnen- en buitenland schaadde en dat langere afzijdigheid zijn herverkiezing volgend jaar in gevaar kon brengen. Hoewel de nu begonnen operatie eveneens de nodige electorale risico's in zich bergt, hebben de president en zijn adviseurs geconcludeerd dat zij het kleinste kwaad betekenen.

Clintons verdediging is klassiek in de zin dat zij de Amerikaanse normen en waarden centraal stelt. “Het is de kracht van onze ideeën, zelfs meer dan onze omvang, onze rijkdom en onze militaire macht, die Amerika maakt tot een unieke natie waarin vertrouwen wordt gesteld.” Zich verzettend tegen de notie dat Amerika zich na de Koude Oorlog, zoals na de Eerste Wereldoorlog, kan onttrekken aan zijn verantwoordelijkheden, verklaarde de president dat “juist in de 'global village' problemen die buiten onze grenzen ontstaan, heel snel problemen binnen onze grenzen kunnen worden”. Clinton wees daarbij op Amerika's kwetsbaarheid voor de georganiseerde krachten van intolerantie en vernietiging, terrorisme, etnische, godsdienstige en regionale tegenstellingen, de verbreiding van de georganiseerde misdaad en van massa-vernietigingswapens en de handel in drugs. Een opsomming die niet heeft nagelaten indruk te maken.

De presidentiële verwijzing naar de periode van na de Eerste Wereldoorlog moest speciaal de Senaat tot inkeer brengen. Het was de Senaat die destijds het concept van president Wilson voor een nieuwe wereldorde van vrede naar de prullenmand verwees en Amerika terugtrok uit het internationale overleg. De Verenigde Staten stonden als gevolg daarvan langs de zijlijn toen Duitsland de Europese orde voor de tweede maal binnen een kwart eeuw omverwierp, Frankrijk overmeesterde en Groot-Brittannië bijna op de knieën bracht. Senator Dole is inmiddels gevoelig gebleken voor de vergelijking.

Nu zijn Clintons voornemens heel wat bescheidener dan die van Wilson, en zijn beeldspraak is vele malen terughoudender dan de retoriek van voorganger Bush toen die zijn internationale coalitie tegen Saddam Hussein smeedde. “Amerika kan niet en behoort niet de politieman van de wereld te zijn. We kunnen niet alle oorlogen voor altijd beëindigen, maar we kunnen een paar oorlogen stoppen. We kunnen niet alle vrouwen en kinderen redden. Maar we kunnen velen van hen redden. We kunnen niet alles doen, maar we moeten doen wat we kunnen.” Van het vestigen van 'een nieuwe wereldorde' (Bush) is geen sprake, wel van de vaststelling dat Bosnië een plaats is waar Amerika het verschil kan betekenen tussen oorlog en vrede.

Met zijn toespraak heeft Clinton min of meer het lijstje voorwaarden afgewerkt die hij bij het begin van zijn presidentschap heeft gesteld aan Amerikaanse interventies in het buitenland. Amerika's “vitale belangen” moesten op het spel staan. In Bosnië gaat het volgens de president nu om “onze fundamenteelste strategische belangen”. Er moest een helder doel zijn. In Bosnië gaat het om de vrede nadat het land gedurende bijna vier jaren van verschrikkelijke oorlogvoering is uiteengereten. Bovendien zal die vrede een vrij en evenwichtig Europa helpen bouwen. (“Generaties Amerikanen hebben begrepen dat Europa's vrijheid en Europa's stabiliteit van essentieel belang zijn voor de veiligheid van Amerika zelf.”) De duur van de interventie moest beperkt zijn (tot een jaar) en het mandaat voor de interventiemacht helder. De NAVO en de Amerikaanse bevelvoering staan borg voor dit laatste.

Maar aan Clintons wellicht belangrijkste conditie is nog niet voldaan: de interventie moet steun krijgen van volk en volksvertegenwoordiging. De woorden van de president hebben zijn scherpste critici even het zwijgen opgelegd, maar niet voor goed de mond gesnoerd.

Clinton is laat met het gebruikmaken van zijn presidentiële prerogatieven. Zijn aanvankelijk voornaamste beleidsvoornemen, de sanering en hervorming van de gezondheidszorg, heeft hij overgelaten aan zijn vrouw en een stel adviseurs die meer opvielen door ideologische rechtlijnigheid dan door hun vermogen in het Congres de vereiste politieke meerderheid bijeen te brengen. Toen het plan ter ziele ging, leek de president als verlamd.

De afgelopen maanden is er een nieuwe Clinton opgestaan. Zowel in de strijd om het begrotingsevenwicht als nu in de campagne over Bosnië heeft de president strategische hardheid gepaard aan tactische souplesse. Evenals Bush ten tijde van 'Koeweit' gaan Clinton en zijn naaste medewerkers in binnen- en buitenland de boer op om vriend en vijand te overtuigen van de noodzaak van het ten langen leste vastgelegde beleid. Eenmaal met de rug tegen de muur geplaatst ontpopt de president zich als een vechter van formaat die ideële overtuigingskracht en praktische behoedzaamheid met elkaar in evenwicht weet te brengen. Als hij die stijl tot volgend jaar november weet vol te houden, zou de volgende president toch nog wel eens Clinton kunnen heten.

De krant van de grote bankiers, The Wall Street Journal, bracht gisteren de Republikeinen deze mogelijkheid onder ogen.