Bowlingbaan en café kan joden niet binden

Het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) luidde reeds in het voorjaar de noodklok: wanneer niet op korte termijn een aantal maatregelen wordt genomen zal het verlies van de joodse identiteit met rasse schreden voortgaan. In het, uit sociologisch oogpunt interessante, jaarverslag van het NIK werd onder meer gepleit voor meer joods onderwijs en meer onderlinge contacten met mede-joden.

Omdat maar twintig procent van de in Nederland woonachtige joden is aangesloten bij het NIK, werd het jaarverslag maar op beperkte schaal verspreid. Dat was jammer, want ook niet bij het NIK aangesloten joden breken zich het hoofd over de vraag hoe het in de 21ste eeuw zal staan met de joodse identiteit, zo bleek afgelopen zondag tijdens een debat in De Balie in Amsterdam.

Zonder dat het NIK-jaarverslag ook maar één keer werd genoemd, stipten alle sprekers een aantal van de daarin genoemde punten van zorg aan: de lage organisatiegraad binnen de joodse gemeenschap, het toenemend aantal gemengd gehuwden, het tekort aan vooral jonge rabbijnen. Daarnaast noemde R. van der Wieken, bestuurslid van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam, nog de onderlinge ruzies en de geringe kennis over de wortels van het jodendom.

Op het eerste gezicht ziet het er somber uit. Bij nadere beschouwing is, zeker in Amsterdam, sprake van een bloeiend joods leven, aldus de orthodoxe rabbijn Ies Vorst. Er zijn joodse scholen, joodse jeugdverenigingen, een joods café, goede sociale hulpverlening: “We kunnen joods verzorgd worden van de wieg tot het graf.” En wanneer God weer een plaats krijgt in de maatschappij, wanneer Thora en Tenach goed worden bestudeerd en erkend wordt dat die van God gegeven zijn, dan zit het volgens Vorst wel goed met het joodse leven in de volgende eeuw.

Maar het probleem is nu juist dat van de dertigduizend in Nederland woonachtige joden de overgrote meerderheid zich niet voelt aantrokken tot een van de drie joodse kerkgenootschappen. Niet zozeer uit onvrede over de soms onverkwikkelijke onderlinge ruzies, met als treurig dieptepunt de verwikkelingen rond de herdenkinsbijeenkomst van 7 mei jongstleden, maar bovenal omdat voor hen een religieuze inbedding geen conditio sine qua non is voor hun jood-zijn.

De kloof tussen religieuze en niet-religieuze joden lijkt bijna niet te overbruggen. Dat is des te zorgerlijker omdat, aldus Van der Wieken, “het niet-religieuze jodendom niet overdraagbaar is op volgende generaties”. Naar het joods café gaan, samen joods bowlen: daar is volgens hem niets mis mee. “Maar het gezelligheidsjodendom is onvoldoende om de volgende eeuw door te komen.”

Toen het NIK-jaarverslag verscheen, wees bestuurder dr. H. Markens er zorgelijk op dat het aantal besnijdenissen daalt, evenals de koosjere consumptie. Hij voegde er meteen aan toe dat dit verval van traditie geen nieuw verschijnsel is. Was in 1934 nog geen 10 procent van de in dat jaar in Amsterdam geboren joodse jongens niet besneden, begin jaren zestig was dat percentage opgelopen tot ruim 30 procent. Uit het proefschrift van dr. S. Wijnberg, 'De Joden in Amsterdam' waarop hij in 1967 promoveerde, blijkt onder meer dat toen al 49 procent van de Amsterdamse joden op vrijdagavond geen speciale maaltijd meer klaarmaakte en dat 25 procent van hen nog maar één keer per jaar naar de synagoge ging.

Het is geen specifiek joods probleem - vrijwel alle kerkgenootschappen kampen met dalende ledentallen. Wetenschappelijk te bewijzen valt het niet, maar het is niet uitgesloten dat binnen de joodse gemeenschap hetzelfde zal gebeuren als binnen de Nederlandse Hervormde Kerk. Daar staat alleen nog de Gereformeerde Bond recht overeind. Die zal de volgende eeuw wel doorkomen. Wanneer de drie joodse kerkgenootschappen in staat zijn hun krachten te bundelen en een nieuwe impuls geven aan de joodse identiteit, zullen ook zij er de volgende eeuw nog zijn. Voor de joodse cafés is dat nog maar de vraag.